184171 WAJONG Datum uitspraak: 17 maart 2021 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 juli 2018, 17/7112 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. M.H. Klijnstra, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Bij faxbericht van 27 mei 2019 heeft mr. E. van den Bogaard zich als opvolgend gemachtigde gesteld. Partijen hebben nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft door middel van videobellen plaatsgevonden op 12 februari 2021. Appellant heeft hieraan deelgenomen, bijgestaan door mr. Van den Boogaard. Voor het Uwv heeft mr. F.A. Steeman deelgenomen. OVERWEGINGEN 1.1. Appellant, geboren op [geboortedatum] 1984, heeft met een door het Uwv op 30 december 2016 ontvangen formulier een aanvraag ingediend om uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Bij de aanvraag is vermeld dat hij moeite heeft met afspraken, het moeilijk vindt om met kritiek om te gaan en moeite heeft om zich aan de regels te houden. Daarnaast heeft hij hulp en veel uitleg nodig. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig onderzoek verricht. Bij besluit van 12 mei 2017 heeft het Uwv, onder verwijzing naar een rapport van de verzekeringsarts, de aanvraag afgewezen omdat er op het achttiende levensjaar geen sprake is van beperkingen van de belastbaarheid als rechtstreeks medisch objectief vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek. 1.2. Bij besluit van 17 november 2017 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van 12 mei 2017 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Het Uwv heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat appellant over arbeidsvermogen beschikt en daarom geen recht heeft op een Wajong-uitkering. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank heeft het Uwv voldoende gemotiveerd dat appellant over arbeidsvermogen beschikt. Wat appellant heeft aangevoerd biedt onvoldoende aanknopingspunten om aan de juistheid van de conclusies in de rapporten te twijfelen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft een psychodiagnostisch rapport van 13 juli 2017 in haar beoordeling meegenomen waaruit blijkt dat bij appellant sprake is van een verstandelijke beperking. Appellant heeft in beroep geen andere medische informatie overgelegd die zijn stellingen ondersteunt of anderszins twijfel doet zaaien aan de beoordelingen van de verzekeringsarts- en arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. De rechtbank heeft appellant niet in zijn stelling gevolgd dat het Uwv niet, of onvoldoende, is ingegaan op zijn specifieke situatie en omstandigheden. Duidelijk is dat appellant een verstandelijke beperking heeft en daardoor moeite zal hebben met werken. Desondanks heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv - volgens de aan te leggen toets van de Wajong - goed heeft onderbouwd dat appellant niet voldoet aan het (strikte) criterium dat hij duurzaam geen arbeidsvermogen heeft. 3.1. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij niet over arbeidsvermogen beschikt en dat het Uwv onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn matig verstandelijke beperking, PTSS en depressieve klachten. Uit de Richtlijn ontwikkelingsstoornissen Wajong (Richtlijn) blijkt dat bij een matig verstandelijke beperking het arbeidsperspectief beperkt is vanwege de beperkte cognitieve en sociale vaardigheden en het onvermogen om in veranderde omstandigheden adequaat te handelen. Onder omstandigheden is arbeidsparticipatie mogelijk, maar als regel is dat volgens de Richtlijn arbeidsmatige dagbesteding wat beneden de ondergrens ligt van het arbeidsvermogen. Het ligt op de weg van het Uwv om te onderbouwen dat bij appellant sprake is van een uitzonderingssituatie waarbij hij ondanks zijn matig verstandelijke beperking wel beschikt over arbeidsvermogen. Appellant heeft voorts aangevoerd dat op zijn achttiende jaar al sprake was van PTSS en depressieve klachten. Ter onderbouwing hiervan heeft hij informatie van de behandelend psycholoog van 14 augustus 2018 en een psychologisch onderzoek naar zijn cognitief niveau van functioneren van 14 december 2018 overgelegd. 3.2. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1.1. Op grond van artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong is (voor zover hier van belang) jonggehandicapte de ingezetene die op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft; 4.1.2. Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit) heeft de betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) als hij (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.