18 5905 WAJONG Datum uitspraak: 18 maart 2021 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 4 oktober 2018, 18/28 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. E. Akdeniz, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft door middel van videobellen plaatsgevonden op 4 februari 2021. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Akdeniz. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten. OVERWEGINGEN 1.1. Appellante, geboren op [geboortedatum] 1974, heeft in verband met een aangeboren heupafwijking sinds 1992 een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 1998) ontvangen, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. 1.2. Met ingang van 1 januari 2015 is de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 2015) in werking getreden. Appellante heeft desgevraagd een vragenlijst Wajong ingevuld in verband met een beoordeling van haar arbeidsvermogen. Na een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 30 maart 2017 vastgesteld dat appellante arbeidsvermogen heeft, als gevolg waarvan de Wajong‑uitkering met ingang van 1 januari 2018 wordt verlaagd van 75% naar 70% van het minimumloon. 1.3. Bij besluit van 24 november 2017 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van 30 maart 2017 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat het onderzoek van het Uwv voldoende zorgvuldig was. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de voor appellante vastgestelde belastbaarheid, zoals neergelegd in de verzekeringsgeneeskundige rapporten van 16 maart 2017 en 8 november 2017. Naar aanleiding van het ingediende beroep is de verzekeringsarts bezwaar en beroep in een aanvullend rapport van 19 april 2018 nader ingegaan op de klachten die appellante ondervindt als gevolg van fibromyalgie en een carpaal tunnelsyndroom. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat het voor appellante medisch gezien mogelijk is om tenminste een uur per dag aaneengesloten te werken en ten minste vier uur per dag belastbaar te zijn. De rechtbank heeft geen reden gevonden om aan de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep te twijfelen. Appellante heeft niet onderbouwd dat zij op energetisch gebied (meer) beperkt is. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor het oordeel dat appellante niet beschikt over basale werknemersvaardigheden en dat zij niet in staat is een taak uit te voeren in een arbeidsorganisatie. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv terecht heeft concludeerd dat appellante over arbeidsvermogen beschikt. 3.1. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de artrose, fibromyalgie en een carpaal tunnel syndroom niet meegenomen in de beoordeling van het vaststellen van haar beperkingen. De verzekeringsarts heeft zich enkel gebaseerd op de bevindingen tijdens de spreekuren van het Uwv en heeft de medische informatie van de huisarts niet op de juiste waarde geschat. Appellante betwist niet dat zij haar handen kan gebruiken, maar zij is nagenoeg volledig afhankelijk van hulp van derden, zoals haar familie. Zij is niet in staat voornamelijk zittend werk te doen gedurende vier uur per dag, tenminste één uur aaneengesloten. Ook beschikt zij niet over basale werknemersvaardigheden en is zij niet in staat een taak te verrichten. Appellante heeft verder aangevoerd dat het Uwv niet heeft onderbouwd hoe zij met haar beperkingen naar een werkplek moet reizen om de voorgehouden taak te vervullen. 3.2. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. 4. De Raad oordeelt als volgt. 4.1. Voor het wettelijk kader wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 12 juni 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2078. 4.2. In geschil is of het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante op 1 januari 2018 arbeidsvermogen had. Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit heeft de betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) als hij (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.