19 1380 WAJONG Datum uitspraak: 19 maart 2021 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 14 februari 2019, 18/2131 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [Appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. L. Goudkade, advocaat, hoger beroep ingesteld en een verzoek om schadevergoeding ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Appellante heeft een nader stuk ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft door middel van videobellen plaatsgevonden op 12 februari 2021. Namens appellante heeft deelgenomen mr. F.S.P. Wagemaker, kantoorgenoot van mr. Goudkade. Voor het Uwv heeft mr. C. Roele deelgenomen. OVERWEGINGEN 1.1. Appellante, geboren [geboortedatum] 1969, heeft sinds 1987 een uitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, die per 1 januari 1998 is voortgezet als een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 1998). Appellante is bekend met paniekaanvallen, angsten en depressieve gevoelens. De mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 80 tot 100%. 1.2. Met ingang van 1 januari 2015 is de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 2015) in werking getreden. Bij brief van 7 februari 2017 heeft het Uwv aan appellante een voorlopige beoordeling arbeidsvermogen gestuurd, waarin is vermeld dat aangenomen wordt dat appellante arbeidsvermogen heeft. Appellante heeft in reactie daarop te kennen gegeven het niet eens te zijn met deze beoordeling. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek, heeft het Uwv bij besluit van 19 juli 2017 vastgesteld dat appellante arbeidsvermogen heeft, als gevolg waarvan de Wajong‑uitkering met ingang van 1 januari 2018 wordt verlaagd van 75% naar 70% van het minimumloon. 1.3. Bij besluit van 27 maart 2018 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellante tegen het besluit van 19 juli 2017 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft voorop gesteld dat de verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige rapporten zorgvuldig tot stand zijn gekomen. Appellante heeft geen stukken overgelegd op grond waarvan aan de juistheid van die rapporten getwijfeld zou moeten worden. Het Uwv mocht zich derhalve bij de beoordeling van de vraag of appellante arbeidsvermogen heeft op die rapporten baseren. Appellante kan niet worden gevolgd in haar standpunt dat zij niet over basale werknemersvaardigheden beschikt. De rechtbank heeft overwogen dat in de rapporten genoegzaam is uiteengezet welke beperkingen van appellante maken dat zij begeleiding nodig heeft. De rechtbank heeft uit de diverse rapporten afgeleid dat de begeleiding waar het Uwv op doelt, zowel betrekking heeft op de overbrugging van de afstand tot arbeidsmarkt als het functioneren met de aangenomen beperkingen. De wijze waarop in de praktijk concreet invulling gegeven moet worden aan die begeleiding staat los van de aan de orde zijnde theoretische beoordeling van het arbeidsvermogen van appellante. Appellante wordt evenmin in haar standpunt gevolgd dat zij niet vier uur belastbaar is en dat het Uwv onvoldoende heeft meegewogen dat sprake is van een toename van klachten. Volgens de rechtbank heeft appellante nagelaten haar standpunt te onderbouwen met medische informatie. 3.1. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij geen arbeidsvermogen heeft, omdat zij niet beschikt over basale werknemersvaardigheden. Zij heeft last van stemmingswisselingen en komt zo min mogelijk in contact met derden. Bij kritiek of stress en het moeten accepteren van gezag, kan zij niet goed haar woede beheersen. Het Uwv heeft haar in staat geacht met de juiste intensieve en langdurige begeleiding basale werknemersvaardigheden te kunnen ontwikkelen, maar heeft onvoldoende gemotiveerd hoe en op welke wijze zij deze vaardigheden zou kunnen ontwikkelen. Appellante heeft voorts aangevoerd dat zij door haar medische klachten niet ten minste vier uur per dag belastbaar is. Zij heeft verzocht om aanhouding van de zitting, omdat er nog een endoscopisch onderzoek, slaaponderzoek en onderzoek naar schouderklachten lopen die van invloed zijn op deze beoordeling. 3.2. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. 4. De Raad oordeelt als volgt. 4.1. Voor het relevante wettelijk kader wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 12 juni 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2078. 4.2. In geschil is of het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante op 1 januari 2018 arbeidsvermogen had. Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit heeft de betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) als hij (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.