184773 WAJONG Datum uitspraak: 25 maart 2021 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 13 juli 2018, 17/5200 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. J.H.F. de Jong, advocaat, hoger beroep ingesteld en een verzoek om schadevergoeding ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 februari 2021. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Jong. Het Uwv heeft zich, via videobellen, laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer. OVERWEGINGEN 1.1. Appellant, geboren op [geboortedatum] 1973, heeft sinds 2008 een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Dit in verband met beperkingen die voortvloeien uit psychische problematiek. De uitkering bedraagt 75% van het minimumloon. 1.2. Met ingang van 1 januari 2015 is de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 2015) in werking getreden. Bij brief van 12 april 2016 heeft het Uwv aan appellant een voorlopige beoordeling arbeidsvermogen gestuurd, waarin is vermeld dat aangenomen wordt dat appellant arbeidsvermogen heeft. Appellant heeft in reactie daarop te kennen gegeven het niet eens te zijn met deze beoordeling, omdat hij ziek is, twintig pillen per dag slikt en onder behandeling is bij ziekenhuizen en een psychiater voor een stoornis. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek, heeft het Uwv bij besluit van 29 maart 2017 vastgesteld dat appellant arbeidsvermogen heeft, als gevolg waarvan de Wajong‑uitkering met ingang van 1 januari 2018 wordt verlaagd van 75% naar 70% van het minimumloon. 1.3. Bij besluit van 7 november 2017 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van 29 maart 2017 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank is het onderzoek van de verzekeringsartsen toereikend geweest voor een zorgvuldige beoordeling van appellants arbeidsvermogen. De rapporten van de verzekeringsartsen bevatten geen innerlijke tegenstrijdigheden. De conclusies dat appellant in staat is geacht om ten minste één uur aaneengesloten te werken en voor vier uur per dag belastbaar is, vloeien logisch voort uit de rapporten. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om het medisch onderzoek onvoldoende of onjuist te achten. Appellant heeft geen medische informatie ingebracht die aanleiding heeft gegeven voor een ander oordeel. De rechtbank is van oordeel dat met de objectieve klachten van appellant voldoende rekening is gehouden. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de primaire arbeidsdeskundige gemotiveerd en op inzichtelijke wijze heeft aangegeven dat appellant beschikt over basale werknemersvaardigheden en in staat is een taak uit te voeren in een arbeidsorganisatie. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv terecht heeft geconcludeerd dat appellant over mogelijkheden tot arbeidsparticipatie beschikt, met als gevolg dat zijn Wajong-uitkering met ingang van 1 januari 2018 wordt verlaagd naar 70% van het minimumloon. 3.1. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij geen arbeidsvermogen heeft. Appellant is van mening dat hij niet vier uur per dag belastbaar kan zijn en één uur aaneengesloten zonder substantiële onderbrekingen een taak kan verrichten. Hij komt in zijn thuissituatie amper tot activiteiten. Zijn arbeidsverleden bestond uit een aaneengesloten reeks van mislukkingen. Het Uwv heeft zijn aanvraag op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) uiteindelijk afgewezen, omdat hij achteraf gezien wordt geacht bij aanvang van zijn werk al volledig arbeidsongeschikt te zijn geweest. 3.2. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. 4. De Raad oordeelt als volgt. 4.1. Voor het wettelijk kader wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 12 juni 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2078. 4.2. In geschil is of het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant op 1 januari 2018 arbeidsvermogen had. Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit heeft de betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) als hij (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.