184662 WIA, 20/1436 WIA Datum uitspraak: 14 januari 2021 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 13 april 2016, 14/2205 WIA, 15/8252 WIA en een verzoek om vergoeding van schade Partijen: [verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Op 11 juli 2018 heeft verzoekster verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 13 april 2016, 14/2205 WIA, 15/8252 WIA, ECLI:NL:CRVB:2016:1559, op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het Uwv is in de gelegenheid gesteld te reageren op dit verzoek. Van deze gelegenheid heeft het Uwv gebruik gemaakt. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 december 2019. Verzoekster is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.A. Vermeijden. Het onderzoek is ter zitting geschorst. Het Uwv heeft een gewijzigde beslissing op bezwaar van 31 maart 2020 ingediend. Appellante heeft reacties ingediend en het Uwv heeft daarop gereageerd. Partijen hebben niet binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht (nader) ter zitting te worden gehoord, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten. OVERWEGINGEN 1. Bij een gewijzigde beslissing van 9 oktober 2015 op het bezwaar van appellant tegen een besluit van 27 mei 2013 heeft het Uwv geweigerd om aan appellante met ingang van 2 juli 2013 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. De belastbaarheid en beperkingen van appellante zijn vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 10 september 2015. Bij uitspraak van 13 april 2016 heeft de Raad het beroep van verzoekster tegen dit besluit ongegrond verklaard. 2.1. Verzoekster heeft bij haar verzoek om herziening van deze uitspraak verwezen naar brieven van cardioloog G.L.J. Vermeiren die vermelden dat er sprake is van ernstige aantasting van haar aorta- en mitraliskleppen en dat zij op 13 maart 2017 twee kunststof hartkleppen heeft gekregen. De hartklachten zijn volgens verzoekster vermoedelijk begonnen in haar jeugd na een ernstige virusinfectie en roodvonk. Zodoende bestaat er een medisch objectiveerbare verklaring voor haar klachten in 2013. Daarnaast heeft verzoekster verschillende medische stukken ingediend waaronder van een psycholoog over de periode 2006 tot en met 2012, van revalidatietrajecten in de periode van 2011 tot en met 2013, medicatieoverzichten en afsprakenoverzichten. Uit deze stukken blijkt volgens verzoekster dat er in 2013 ook als gevolg van andere aandoeningen onvoldoende beperkingen zijn vastgesteld door de verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv. Verzoekster heeft nader toegelicht dat zij deze stukken niet eerder heeft kunnen indienen. 2.2. Op grond van de brief van cardioloog Vermeiren van 24 november 2019 heeft het Uwv aanleiding gezien om in 2013 alsnog een medische objectiveerbare verklaring voor de vermoeidheidsklachten van verzoekster vast te stellen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in verband hiermee in zijn rapport van 29 januari 2020 een urenbeperking van vier uur per dag en 20 uur per week toegevoegd aan de FML van 10 september 2015. Voor de andere aandoeningen van appellant wordt verwezen naar de rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 10 september 2015, 26 november 2015 en 4 februari 2016. De motivering in deze rapporten dat destijds voldoende beperkingen zijn vastgesteld in de FML is in de uitspraak van de Raad van 13 april 2016 onderschreven. Na een arbeidskundig onderzoek heeft een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van 2 juli 2013 vastgesteld op 44,11%. Bij besluit van 31 maart 2020 heeft het Uwv aan verzoekster alsnog met ingang van 2 juli 2013 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend en met ingang van 2 oktober 2013 een WGA-vervolguitkering, berekend op basis van een mate van arbeidsongeschiktheid van 44,11%. Daarnaast heeft het Uwv het herzieningsverzoek opgevat als een melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op 29 januari 2020 geconcludeerd dat appellante met ingang van 13 december 2016 niet over benutbare mogelijkheden beschikte omdat zij was opgenomen in een ziekenhuis. In het besluit van 31 maart 2020 is de WGA-vervolguitkering per 13 december 2016 berekend op basis van een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% 3.1. Verzoekster is het niet eens met het besluit van 31 maart 2020. Zij stelt zich op het standpunt dat het verzekeringsgeneeskundige onderzoek van het Uwv onzorgvuldig is en kwetsend. Verzoekster heeft brieven ingediend waaruit blijkt dat het Uwv geen informatie heeft ingewonnen bij de reumatoloog, cardioloog, het revalidatiecentrum en de huisarts. Daarnaast heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten onrechte geen lichamelijk onderzoek verricht en is het onderzoek ten onrechte beperkt tot de hartklachten. Uit het rapport van 29 januari 2020 van de cardioloog blijkt volgens verzoekster dat er in 2013 sprake was van volledige arbeidsongeschiktheid en dat het Uwv een IVA-uitkering had moeten toekennen. Dat was volgens haar ook door het Uwv toegezegd. Als de urenbeperking wegvalt wordt zij ten onrechte weer arbeidsgeschikt geacht. Verzoekster heeft geen vertrouwen in het Uwv. Daarnaast heeft zij belastingschade geleden door de nabetaling door het Uwv van bruto € 62.420,70 over de periode van 2 juli 2013 tot en met 30 april 2020. 3.2. Het Uwv heeft een reactie ingediend. Het Uwv betreurt dat appellante teleurgesteld is in het Uwv en de gang van zaken tijdens de hoorzitting op 29 januari 2020 en dat zij zich niet serieus voelt genomen. Er is nooit toegezegd dat zij een IVA-uitkering zou ontvangen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op 5 juni 2020 nader toegelicht waarom per 13 december 2016 geen duurzame arbeidsongeschiktheid is vastgesteld. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. Verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad 4.1. Volgens vaste rechtspraak – zoals bijvoorbeeld de uitspraak van 8 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4412 – is het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening niet gegeven om, anders dan op grond van een nieuw feit of een nieuwe omstandigheid, een nieuwe discussie over de betrokken uitspraak te openen. 4.2. Deze procedure beperkt zich dan ook tot de vraag of wordt voldaan aan de in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb gestelde voorwaarden of de onherroepelijk geworden uitspraak van de Raad van 13 april 2016 - met een datum in geding van 2 juli 2013 - moet worden herzien op grond van feiten en omstandigheden die a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.