181989 WAJONG Datum uitspraak: 14 april 2021 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 5 maart 2018, 17/5323 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. W.J.A. Vis, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 september 2020. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Vis. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.C. Puister. Het onderzoek ter zitting is geschorst. Het Uwv heeft een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en onderliggende medische stukken ingezonden. Appellante heeft een reactie met nadere stukken ingezonden. Het Uwv heeft daarop gereageerd. Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht nader ter zitting te worden gehoord, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb heeft gesloten. OVERWEGINGEN 1.1. Appellante, geboren [geboortedatum] 1987, heeft met een door het Uwv op 23 augustus 2016 ontvangen formulier een aanvraag ingediend om uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Bij de aanvraag is informatie gevoegd van haar behandelend psycholoog van 5 april 2016. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht. Bij besluit van 21 december 2016 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen, omdat appellante arbeidsvermogen heeft. 1.2. Bij besluit van 30 juni 2017 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellante tegen het besluit van 21 december 2016 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank is een zorgvuldig medisch onderzoek verricht en bestaat geen aanleiding om de uitkomst van dit onderzoek voor onjuist te houden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op inzichtelijke wijze en aan de hand van de door appellante ingebrachte medische informatie uiteengezet dat de grens van een uur aaneengesloten en vier uur per dag in totaal werken door appellante te bereiken is. Daarbij zal een voortdurend aanwezige leidinggevende begeleiding moeten bieden, omdat communicatie bij de begeleiding moeilijk is. De informatie van GGZ Rivierduinen Kristal van 17 oktober 2017 geeft volgens de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Appellante is aangewezen op gestructureerd werk met duidelijke, eenduidige uitleg waarbij geen sprake is van hoge werkdruk. De werkomgeving dient rustig te zijn en niet al te prikkelrijk. Ook is appellante aangewezen op een begripvolle werkomgeving en dient zij uitleg en opdrachten te krijgen van één vast persoon. Deze dient tevens structuur voor appellante aan te brengen, er op toe te zien dat zij alles begrepen heeft en hij dient miscommunicatie tussen appellante en anderen te herkennen en haar positieve feedback te geven ter vergroting van haar zelfvertrouwen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft voldoende inzichtelijk gemaakt dat in de geselecteerde taak van handmatig afwassen aan deze voorwaarden wordt voldaan. 3.1. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij geen arbeidsvermogen heeft, omdat het onvoorstelbaar is dat er in de praktijk een werkomgeving bestaat die aan de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep en arbeidsdeskundige bezwaar en beroep gestelde voorwaarden voldoet en er een werkgever is die daarvoor loon zou willen betalen. Aanvullend heeft appellante onder verwijzing naar (onder meer) een neuropsychologisch onderzoek van 17 januari 2019 gesteld dat zij niet in staat kan worden geacht om zelfstandig één uur achtereen aan een taak te werken en evenmin in staat moet worden geacht vier op een dag te kunnen werken. 3.2. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. 4. De Raad oordeelt als volgt. 4.1.1. Op grond van artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong is jonggehandicapte (voor zover hier van belang) de ingezetene die op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. 4.1.2. Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten heeft de betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) als hij (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.