202082 PW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 6 april 2020, 19/1489 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Asten (college) Uitspraakdatum: 3 mei 2022 PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. J. van de Wiel, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2022. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van de Wiel, [naam 1] en [naam 2] . Als tolk was aanwezig [naam tolk] . Het college heeft zich via videobellen laten vertegenwoordigen door mr. A. Kerkhof en mr. J.B.L. Krahmer. OVERWEGINGEN 1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.1. Appellant ontving sinds 26 september 2016 bijstand op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande. Hij stond in de Basisregistratie personen ingeschreven op het adres [adres] in [Plaatsnaam 1] (uitkeringsadres). 1.2. Naar aanleiding van op 19 juni 2018 en 7 augustus 2018 van [welzijnsinstelling] te [Plaatsnaam 1] ( [welzijnsinstelling] ) ontvangen signalen, dat appellant niet op het uitkeringsadres verblijft, hebben twee medewerkers handhaving van het werkbedrijf [werkbedrijf] te [Plaatsnaam 2] (medewerkers) in opdracht van het college een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader hebben de medewerkers onder meer dossieronderzoek gedaan en bij het waterbedrijf Brabant Water de waterverbruiksgegevens van het uitkeringsadres over de periode van 26 september 2016 tot en met 8 januari 2018 opgevraagd. Verder hebben de medewerkers en enkele collega’s in de periode van 27 augustus 2018 tot en met 14 september 2018 waarnemingen verricht in de omgeving van het uitkeringsadres. Op 11 oktober 2018 hebben de medewerkers appellant verhoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport handhaving van 18 oktober 2018. 1.3. De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 12 november 2018 de bijstand van appellant met ingang van 26 september 2016 in te trekken en bij besluit van 26 november 2018 de over de periode van 26 september 2016 tot en met 30 september 2018 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 27.363,35 van appellant terug te vorderen. 1.4. Bij besluit van 16 april 2019 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 12 november 2018 en 26 november 2018 ongegrond verklaard. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd, voor zover van belang, dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet aan het college te melden dat hij niet op het uitkeringsadres woont. Omdat ook niet duidelijk is geworden waar appellant wél zijn hoofdverblijf heeft gehad, kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. 3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. De te beoordelen periode loopt van 26 september 2016, de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken, tot en met 12 november 2018, de datum van het intrekkingsbesluit. 4.2. Intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Dit betekent dat de bijstandverlenende instantie de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen, in dit geval over de vraag of appellant in de te beoordelen periode zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. 4.3. Waar een betrokkene zijn woonadres heeft, is daar waar hij zijn hoofdverblijf heeft. Het hoofdverblijf van een betrokkene ligt daar waar zich het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven bevindt. Dit dient te worden bepaald aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De betrokkene is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand. 4.4.1. Appellant heeft allereerst aangevoerd dat hij niet aan zijn verklaring van 11 oktober 2018 kan worden gehouden, omdat hij de Nederlandse taal niet machtig is. Daardoor heeft appellant niet kunnen controleren of door hem tijdens het verhoor gebezigde bewoordingen op de juiste wijze in het verslag zijn weergegeven. Het college had volgens appellant zorgvuldigheidshalve het verslag van het verhoor moeten laten vertalen en nog eens aan hem moeten voorhouden. 4.4.2. Deze beroepsgrond slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak geldt in het algemeen dat van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde en ondertekende verklaring mag worden uitgegaan, en dat een latere intrekking of ontkenning van die verklaring weinig betekenis heeft (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 25 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:957). Tijdens het verhoor op 11 oktober 2018 was een tolk aanwezig. De verklaring van appellant is concreet en gedetailleerd, en in vraag- en antwoordvorm opgemaakt. Appellant heeft, nadat hem aan het einde van het verhoor was aangeboden het verslag zin voor zin voor te lezen en te laten vertalen, er zelf voor gekozen om de verklaring, zonder dat die aan hem is voorgelezen, te ondertekenen. Gelet op het voorgaande is er geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de weergave van de verklaring van appellant. Dit betekent dat appellant aan de door hem op 11 oktober 2018 afgelegde verklaring mag worden gehouden. 4.5.1. Verder heeft appellant aangevoerd dat hij zijn inlichtingenverplichting niet heeft geschonden. Appellant had zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres. Dat was ook het adres waarnaar hij steeds terugkeerde. 4.5.2. Ook deze beroepsgrond slaagt niet. De onderzoeksbevindingen bieden voldoende feitelijke grondslag voor het standpunt van het college dat appellant in de gehele te beoordelen periode niet zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Daartoe is het volgende redengevend. 4.5.3. Uit de gegevens van waterbedrijf Brabant Water blijkt dat op het uitkeringsadres sprake was van het volgende waterverbruik: - in de periode van 26 september 2016 tot en met 19 januari 2017: 1 m³ - in de periode van 19 januari 2017 tot en met 8 januari 2018: 6 m³. Appellant heeft deze gegevens over het waterverbruik niet betwist. 4.5.4. Volgens vaste rechtspraak (zie de uitspraak van 3 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1986) is bij een verbruik van maximaal 7 m³ water per jaar per huishouden – ongeacht het aantal personen van dit huishouden – sprake van een extreem laag waterverbruik. Een extreem laag verbruik rechtvaardigt de vooronderstelling dat de betrokkene(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.