← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2022:1112

203663 BABW Datum uitspraak:18 mei 2022 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 september 2020, 19/7243 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. M.J. Zennipman, advocaat, hoger beroep ingesteld en stukken ingediend. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april

  1. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Zennipman. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. van der Klaauw. OVERWEGINGEN
  2. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. 1.
  3. Appellante woont aan de [adres] te [woonplaats] en is in het bezit van een gehandicaptenparkeerkaart bestuurder. Op 1 april 2019 heeft zij een aanvraag ingediend voor een individuele gehandicaptenparkeerplaats bij haar woning. 1.
  4. Bij besluit van 22 mei 2019 heeft het college een gehandicaptenparkeerplaats voor een motorvoertuig met kenteken van appellante aangewezen nabij het perceel van de [adres]. 1.
  5. Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt. Het bezwaar is gericht tegen de ligging van de gehandicaptenparkeerplaats. Deze is gelegen onder een boom, waardoor er volgens appellante sprake is van overlast door vogeluitwerpselen. 1.
  6. Bij besluit van 10 oktober 2019 (bestreden besluit) heeft het college onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de gehandicaptenparkeerplaats nabij de woning van appellante is toegekend en aangelegd. Een gehandicaptenparkeerplaats is bedoeld voor iemand met een loopbeperking of andersoortige beperking die parkeren in de nabijheid van de woning vereist. Het verplaatsen van de gehandicaptenparkeerplaats naar een plaats verder weg zou hier haaks op staan. Het is ook niet gegarandeerd dat de problematiek die appellante ervaart hiermee kan worden weggenomen. Vogelpoep is een probleem wat zich niet alleen bij voertuigen geparkeerd onder een boom kan voordoen.
  7. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe onder meer het volgende overwogen. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, wordt geen aanleiding gezien waarom het college de gehandicaptenparkeerplaats op een andere locatie had moeten aanwijzen. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat de bij het bestreden besluit aangewezen parkeerplaats ongeschikt is voor de met de aanwijzing als gehandicaptenparkeerplaats te dienen doelen. De door haar ervaren overlast door vogeluitwerpselen is op zichzelf daartoe onvoldoende. Dat de gezondheidsklachten van appellante door de ervaren overlast en de als gevolg daarvan ontstane perikelen zijn toegenomen, heeft zij niet aannemelijk gemaakt. Dit blijkt ook niet uit de door haar overgelegde brief van haar huisarts. Het college heeft toegelicht dat het algemeen belang is gediend met een juiste toedeling van een gehandicaptenparkeerplaats. Zodra aan een andere bewoner een gehandicaptenparkeerplaats toegekend moet worden op een voor hem dichtstbijzijnde locatie, kan dit de locatie zijn die appellante wenst. Dit kan tot ongewenste situaties leiden. Het college heeft dan ook in redelijkheid tot de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde belangenafweging kunnen komen.
  8. Appellante heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft in hoger beroep – kort samengevat – aangevoerd dat er onvoldoende rekening is gehouden met haar belangen. Dit betreft met name de problematiek omtrent het geestelijk en lichamelijk welzijn van appellante. Het college had moeten voorzien dat een boom direct gelegen naast de gehandicaptenparkeerplaats tot overlast kan leiden door vogeluitwerpselen. De medische toestand van appellante gaat door de perikelen omtrent de gehandicaptenparkeerplaats achteruit.
  9. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  10. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank over de gronden van beroep en onderschrijft de hiervoor onder 2 weergegeven overwegingen waarop dat oordeel berust. In wat appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht, heeft de Raad geen reden gevonden om tot een ander oordeel te komen dan waartoe de rechtbank is gekomen. De Raad voegt hieraan toe dat appellante ook in hoger beroep niet heeft onderbouwd dat de gezondheidsklachten door de ontstane situatie zijn toegenomen. 4.
  11. Uit wat onder 4.1 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
  12. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries, in tegenwoordigheid van L.C. van Bentum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 mei
  13. (getekend) D.S. de Vries (getekend) L.C. van Bentum

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.