19/5206 WIA, 21/3380 WIA Datum uitspraak: 25 mei 2022 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Gelderland van 3 december 2019, 18/5541, en 30 juli 2021, 20/2602 (aangevallen uitspraken) Partijen: [Appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. C.J. Driessen, advocaat, hoger beroepen ingesteld. Het Uwv heeft verweerschriften ingediend en een vraag van de Raad beantwoord. Het onderzoek ter zitting, waar de zaken gevoegd zijn behandeld, heeft plaatsgevonden op 13 april 2022. Namens appellante is mr. Driessen verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.M.J.E. Budel. OVERWEGINGEN 1.1. Appellante heeft voor het laatst gewerkt als inpakster voor gemiddeld 36,78 uur per week. Op 25 juni 2010 heeft appellante zich, vanuit de situatie dat zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving, ziekgemeld met psychische en lichamelijke klachten. Na een aanvankelijke weigering is haar met ingang van 22 juni 2012 een loongerelateerde WGAuitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. Met ingang van 18 december 2012 is de loongerelateerde WGA-uitkering omgezet naar een WGA-loonaanvullingsuitkering. 1.2. Na een herbeoordeling in 2014, waarbij de beperkingen van appellante zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst van 14 november 2014, heeft het Uwv de WGA-uitkering van appellante met ingang van 5 februari 2015 beëindigd, omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het Uwv heeft het bezwaar van appellante tegen dit besluit ongegrond verklaard. Appellante heeft daartegen geen rechtsmiddelen aangewend. 1.3. Bij brief van 14 april 2016 heeft appellante zich bij het Uwv gemeld met toegenomen klachten. Een arts van het Uwv heeft appellante naar aanleiding van deze melding op 30 mei 2016 op een spreekuur onderzocht en geconcludeerd dat de eerder gestelde beperkingen niet zijn toegenomen, waarna het Uwv heeft geweigerd aan appellante een WGA-uitkering toe te kennen. In bezwaar, beroep en hoger beroep is de weigering van de WGA-uitkering in stand gebleven. 1.4. Op 14 september 2017 heeft appellante zich opnieuw bij het Uwv gemeld met toegenomen lichamelijke klachten en psychische klachten, waarvoor zij onder andere naar GGNet is verwezen, met ingang van 1 juli 2017. Naar aanleiding van deze melding is appellante onderzocht door de arts die appellante eerder op 30 mei 2016 op het spreekuur heeft gezien. Volgens de arts is nog altijd geen sprake van toegenomen beperkingen (uit dezelfde ziekteoorzaak) binnen vijf jaar na de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling van 14 november 2014. Bij besluit van 31 oktober 2017 heeft het Uwv geweigerd appellante een WGA-uitkering toe te kennen. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 7 maart 2018 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 6 maart 2018 ten grondslag. Appellante heeft tegen bestreden besluit 1 beroep ingesteld 1.5. Bij brief van 14 oktober 2019 heeft appellante zich opnieuw toegenomen arbeidsongeschikt gemeld, waarna zij weer is onderzocht door de in 1.3 en 1.4 genoemde primaire arts van het Uwv. Bij besluit van 13 februari 2020 heeft het Uwv weer geweigerd om appellante een WGA-uitkering toe te kennen. Daaraan ligt opnieuw het standpunt ten grondslag dat de beperkingen van appellante (uit dezelfde oorzaak) niet zijn toegenomen binnen vijf jaar na de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling per 14 november 2014. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 29 april 2020 (bestreden besluit 2) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit 2 ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 28 april 2020 ten grondslag. Ook tegen dit besluit heeft appellante beroep ingesteld. 2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen van appellante tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. In de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank gemotiveerd overwogen dat de verzekeringsgeneeskundige onderzoeken in beide procedures voldoende zorgvuldig zijn geweest en dat er geen aanleiding is voor twijfel aan de conclusies van de (verzekerings)artsen dat geen sprake is van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak op grond waarvan appellante eerder recht heeft gehad op een WGA-uitkering. Verder heeft de rechtbank in de aangevallen uitspraak 1 overwogen geen aanleiding te zien om een onafhankelijk deskundige te benoemen, omdat appellante in de procedure voldoende ruimte heeft gehad – en benut – om haar standpunt dat het Uwv haar beperkingen heeft onderschat, te onderbouwen. 3.1.1. In haar hoger beroepen heeft appellante aangevoerd dat de rechtbank de verzekeringsgeneeskundige onderzoeken van het Uwv ten onrechte zorgvuldig heeft geacht. Zij meent dat in de bezwaarfases medisch onderzoek door een geregistreerd verzekeringsarts (bezwaar en beroep) had moeten plaatsvinden, omdat enerzijds dossieronderzoek niet toereikend was vanwege onvolledigheid van het dossier en anderzijds omdat de arts die de onderzoeken in de primaire fases heeft verricht, geen geregistreerd verzekeringsarts is. De onderzoeken voldoen daarom niet aan de voorwaarden zoals geformuleerd in de uitspraak van de Raad van 23 juni 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1491. 3.1.2. Appellante heeft verder herhaald dat ten opzichte van de WIA-beoordeling in 2014 wel sprake is van toegenomen beperkingen ten gevolge van de psychische en lichamelijke klachten. Dat blijkt onder meer uit de vergaande noodzakelijke mantelzorg – en inmiddels een Wmo-indicatie – en de wijziging van haar medicatie. Ook heeft appellante haar verzoek om benoeming van een onafhankelijk deskundige gehandhaafd. Zij heeft niet de financiële middelen om zelf een deskundige in te schakelen. Het indienen van eigen medische stukken heeft daarnaast zijn beperkingen, omdat de behandelend artsen hier terughoudend in zijn ter waarborging van de verstandhouding met hun patiënt, waarbij behandelaars zich helemaal niet uitlaten over de te stellen arbeidskundige beperkingen. 3.2. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraken te bevestigen. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat de verzekeringsgeneeskundige onderzoeken wel zorgvuldig zijn geweest en verwezen naar een nader rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 24 augustus 2021. De verzekeringsarts bezwaar en beroep meent dat een fysiek spreekuur in dit geval geen toegevoegde waarde zou hebben gehad, omdat appellante in de voorgeschiedenis meerdere keren is gezien door een verzekeringsarts en een verzekeringsarts bezwaar en beroep en in het dossier een grote hoeveelheid medische informatie van de behandelend sector voorhanden is. Verder is appellante bij de melding toegenomen arbeidsongeschiktheid van 14 april 2016 op 30 mei 2016 uitgebreid gezien, met lichamelijk onderzoek door een primaire arts en werd er informatie bij de behandelend sector opgevraagd. Bij de melding toegenomen arbeidsongeschiktheid van 26 september 2017 heeft appellante vervolgens een toename van bestaande klachten aangegeven. Daartoe werd zij gezien door dezelfde arts als bij het onderzoek op 30 mei 2016. Gelet op de eerdere beoordelingen van verzekeringsarts(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.