204129 PW-PV Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 oktober 2020, 20/1878 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college) Datum uitspraak: 24 mei 2022 Zitting heeft: A.M. Overbeeke Griffier: A.F. Hulskes Voor appellante is ter zitting verschenen mr. E.J.M. van Daalhuizen, advocaat. Namens het college is verschenen mr. L.T. Krabbenborg BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen. Het gaat in deze zaak om de afwijzing van een op 5 september 2019 door de gemachtigde van appellante ingediende aanvraag om bijzondere bijstand voor kosten van rechtsbijstand en griffierecht. Het college heeft deze aanvraag bij besluit van 10 oktober 2019 afgewezen, en deze afwijzing gehandhaafd bij besluit van 25 februari 2020 (bestreden besluit). De grondslag van de afwijzing is dat de aanvraag om bijzondere bijstand te laat is ingediend. In de Beleidsregels bijzondere bijstand Rotterdam 2019 is namelijk bepaald dat nota’s niet ouder dan drie maanden mogen zijn en aan dit vereiste is niet voldaan. De rechtbank heeft met verwijzing naar het beleid van het college en naar vaste rechtspraak van de Raad overwogen dat de aanvraag te laat is ingediend en dat de aanvraag terecht is afgewezen. Appellante heeft in hoger beroep in de kern hetzelfde aangevoerd als in beroep. Zij heeft verwezen naar haar moeilijke omstandigheden en haar psychische en lichamelijke klachten als gevolg van een echtscheiding. Daardoor ziet zij haar kinderen ook nog nauwelijks. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak besproken en is tot het oordeel gekomen dat deze niet slagen. De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat oordeel rust. De door appellante aangehaalde omstandigheden kunnen niet worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden op grond waarvan met terugwerkende kracht bijstand moet worden verleend. Appellante bevond zich weliswaar in een moeilijke situatie maar zij heeft zich in deze periode laten bijstaan door een advocaat die ook de aanvraag waar deze zaak over gaat heeft ingediend. Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat zij geen hulp van anderen heeft kunnen krijgen. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt daarom bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand in stand blijft. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. Waarvan proces-verbaal. De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer (getekend) Y.S.S. Fatni (getekend) A.M. Overbeeke
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.