212248 AOW, 21/2225 AOW Datum uitspraak: 19 mei 2022 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Noord-Nederland van 10 juni 2021, 20/1017 en 20/1016 (aangevallen uitspraken) Partijen: [appellant 1] te [woonplaats 1] (appellant 1) en [appellant 2] te [woonplaats 2] (appellant 2) de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb) PROCESVERLOOP Namens appellanten heeft mr. J.H. Weermeijer hoger beroepen ingesteld. De Svb heeft verweerschriften ingediend en vragen van de Raad beantwoord. Partijen hebben nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 maart 2022. Namens appellanten is mr. Weermeijer verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.P. van den Berg en mr. A. van der Weerd. OVERWEGINGEN 1.1. Appellanten hebben de Nederlandse nationaliteit en wonen in Nederland. Van 6 februari 2016 tot en met 31 augustus 2018 (periode in geding 1) is appellant 1 werkzaam geweest als [functie] aan boord van het binnenvaartschip [naam schip]. Van 1 mei 2016 tot en met 31 augustus 2018 (periode in geding 2) is appellant 2 werkzaam geweest aan boord van het binnenvaartschip [naam schip]. Het schip heeft een in Nederland gevestigde eigenaar en exploitant. 1.2. In de perioden in geding stonden appellanten op de loonlijst van [bedrijf] GmbH ([bedrijf]) te Liechtenstein. Appellanten werkten in voornoemde perioden in verschillende lidstaten van de Europese Unie, te weten België, Duitsland en Nederland. 1.3. Bij brief van 25 juli 2017 heeft het voor Liechtenstein bevoegde orgaan (Liechtensteinse orgaan) de Svb verzocht de toepasselijke socialezekerheidswetgeving over de periode waarin appellanten in loondienst van [bedrijf] in de binnenvaart werkten, voorlopig vast te stellen. 1.4. Bij primaire besluiten van 8 november 2019 heeft de Svb op appellanten voorlopig de socialezekerheidswetgeving (wetgeving) van Nederland van toepassing verklaard over de perioden in geding. De Svb heeft bij de primaire besluiten aan appellanten een A1-verklaring verstrekt waarin is vermeld dat appellanten plegen te werken in diverse Rijnoeverstaten en dat op hen de Nederlandse wetgeving van toepassing is over de perioden in geding. De Svb heeft de bevoegde organen van de andere landen waar appellanten plegen te werken en het bevoegde orgaan van Liechtenstein op de hoogte gebracht van de primaire besluiten en de daarbij aan appellanten verstrekte A1-verklaringen. 1.5. Appellanten hebben tegen de onder 1.4 vermelde besluiten bezwaar gemaakt. Deze bezwaren heeft de Svb bij besluiten van 6 maart 2020 en 20 maart 2020 (bestreden besluiten) ongegrond verklaard op grond van de voorlopige conclusie dat appellanten zijn onderworpen aan de Nederlandse wetgeving. De Svb heeft op basis van verstrekte kopieën van vaartijdenboeken aannemelijk geacht dat appellanten een substantieel gedeelte van hun werkzaamheden in hun woonland Nederland verrichten. 2. Appellanten hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Deze beroepen zijn bij de aangevallen uitspraken ongegrond verklaard. 3.1. Appellanten hebben de Raad verzocht om de aangevallen uitspraken te vernietigen. Appellanten stellen dat de Nederlandse wetgeving niet op hen van toepassing is omdat zij ten tijde in geding geen substantieel gedeelte van hun werkzaamheden verrichtten in Nederland. Appellanten verwijzen daarbij naar de individuele arbeidstijden zoals door hen zijn overgelegd. Verder hebben appellanten gesteld dat de vaststellingsmethodiek die de Svb hanteert om te bepalen welk gedeelte van de werkzaamheden opvarenden van binnenvaartschepen in Nederland plegen te verrichten, in strijd is met het Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn (het Reglement). 3.2. De Svb heeft de Raad verzocht om de aangevallen uitspraken te bevestigen. Volgens de Svb is sprake van substantieel werken in Nederland. De vaartijdenboeken van het schip laten zien dat in 2016 28%, in 2017 24% en in 2018 26% van de tijd in Nederland werd gevaren en dat appellanten aldus in de perioden in geding een substantieel gedeelte in hun woonland Nederland werkten. Hoewel het percentage in 2017 minder is dan de norm van 25%, is volgens de Svb ook in dat jaar toch sprake van substantieel werken in Nederland. De Svb heeft hierbij rekening gehouden met de omstandigheden dat appellanten in Nederland wonen, dat het schip in Nederland is geregistreerd en dat de eigenaar en exploitant van het schip in Nederland zijn gevestigd. Op grond van artikel 13, eerste lid, onder a, van de Basisverordening is de Nederlandse wetgeving dan ook van toepassing op appellanten. 4. De Raad oordeelt als volgt. Regelgeving 4.1. Voor het overzicht van het juridisch kader voor de beoordeling van de verzekeringspositie van appellanten, die hun werkzaamheden ten tijde van belang plachten te verrichten in twee of meer EU-lidstaten, verwijst de Raad naar de bijlage bij deze uitspraak. Meningsverschil tussen de Svb en het voor Liechtenstein bevoegde orgaan 4.2. De Raad stelt allereerst vast dat bij brief van 10 januari 2020 het Liechtensteinse orgaan formeel bezwaar heeft gemaakt tegen het feit dat op appellanten de Nederlandse wetgeving voorlopig van toepassing is verklaard. Dit bezwaar loopt thans nog. Op zijn laatst vanaf 10 januari 2020 was er dus sprake van een meningsverschil als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Toepassingsverordening. Voor de duur van het meningsverschil tussen de Svb en het Liechtensteinse orgaan moest dan ook op basis van artikel 6, eerste lid, van de Toepassingsverordening op appellanten de Nederlandse wetgeving voorlopig worden toegepast. Zolang dit meningsverschil zou duren, zou de Svb reeds hierom de bezwaren tegen de besluiten van 8 november 2019 ongegrond moeten achten. 4.3. Tijdens de bezwaarprocedure tegen de besluiten van 8 november 2019 hebben appellanten betoogd dat de Svb ten onrechte de Nederlandse wetgeving voorlopig van toepassing heeft verklaard. Als de Svb dit standpunt zou onderschrijven, zou van een meningsverschil tussen de Svb en het Liechtensteinse orgaan niet langer sprake zijn. De Raad zal daarom beoordelen of de voorlopige vaststelling bij de bestreden besluiten terecht in stand is gelaten. Beoordeling vaststelling toepasselijke socialezekerheidswetgeving 4.4. Bij de bestreden besluiten heeft de Svb, onder verwijzing naar de vaartijdenboeken, aannemelijk geacht dat appellanten in de perioden in geding een substantieel gedeelte van hun werkzaamheden in Nederland plachten te verrichten. De omvang van het in Nederland verrichtte gedeelte van de werkzaamheden van de opvarenden van de [naam schip] is geraamd op, in 2016 28%, in 2017 24% en in 2018 26%. Daarbij is de Svb bij de beoordeling van het aantal uren dat een persoon werkzaam is in Nederland uitgegaan van de vaar- en ligtijden van het binnenvaartschip waarop wordt gewerkt. 4.5. Appellanten hebben zich op het standpunt gesteld dat het Reglement in de weg staat aan de vaststellingsmethodiek die de Svb heeft gehanteerd om te beramen of opvarenden van binnenvaartschepen al dan niet een substantieel gedeelte van hun werkzaamheden in Nederland plegen te verrichten. 4.6. In de uitspraak van de Raad van 28 februari 2019 staat onder 4.2.6.1 de methode die de Svb hanteert bij de beoordeling van het aantal uren dat een persoon werkzaam is in Nederland. De Svb gaat daarbij uit van de vaar- en ligtijden van het binnenvaartschip waarop wordt gewerkt. De omvang van de activiteiten van het schip in Nederland wordt door de Svb gezien als indicatie voor de omvang van de werkzaamheden in Nederland van de werknemers. Daarbij kan de Svb ook rekening houden met vaartijden van het schip over eerdere dan wel latere perioden. Daarnaast wordt gekeken naar andere informatie, zoals dienstboekjes van werknemers, reisverslagen, verklaringen van individuele werknemers en algemene informatie die beschikbaar is over de binnenvaart. De Raad heeft in punt 4.2.6.3. van die uitspraak deze vaststellingsmethodiek, waarin een zekere grofmazigheid besloten ligt, gerechtvaardigd geacht door het belang dat de Uniewetgever hecht aan snelle besluitvorming en het vermijden van al te veel fluctuaties in de verzekeringspositie van werknemers door – bijvoorbeeld – ziekte en verlof. 4.7. De Raad ziet geen reden om in deze procedure anders te oordelen over deze vaststellingsmethodiek en ziet evenmin grond om de vaststellingsmethodiek in strijd te achten met het Reglement. Het Reglement bevat regels over het bewijs van vaartijd, exploitatiewijzen, verplichte rusttijd en het vaartijdenboek. Tijdens de zitting hebben appellanten gesteld dat de Svb bij de vaststelling van de arbeidstijden ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de rusttijden zoals voorgeschreven door het Reglement. Ook zou de Svb ten onrechte geen rekening hebben gehouden met het feit dat appellanten volgens het Reglement slechts 180 dagen per jaar daadwerkelijke vaartijd hebben. Deze grond van appellanten slaagt niet. Zoals de Raad in zijn uitspraak van 29 december 2017 uiteen heeft gezet, is het niet onaanvaardbaar dat de Svb er vanuit gaat dat Rijnvarenden in Nederland werken gedurende het gedeelte van hun diensttijd waarin de schepen waarop zij hun werkzaamheden verrichten zich op de Nederlandse binnenwateren bevinden. Indien er geen rekening gehouden wordt met slaap- en rustdiensten aan boord van de schepen gedurende de tijd dat deze buiten Nederland varen, hoeft er ook geen rekening te worden gehouden met slaap- en rustdiensten aan boord van de schepen gedurende de tijd dat deze in Nederland varen. 4.8. Verder is niet gebleken dat de door de Svb gehanteerde vaststellingsmethodiek ertoe leidt dat het voor appellanten onmogelijk of uiterst moeilijk wordt om hun rechten op grond van het Unierecht te effectueren, al was het maar omdat de Raad de mogelijkheid van een individuele vaststelling op basis van toereikende, door werkgever en werknemer aangedragen gegevens, in de uitspraak van 28 februari 2019 uitdrukkelijk heeft erkend. De werkgever of de werknemer dienen dan wel tijdig, concreet, transparant en sluitend aan te tonen wat, gemeten over een tijdvak van voldoende lengte, de werkelijke individuele arbeidstijd is in en buiten de woonstaat van de werknemers in de binnenvaart die hun werkzaamheden plegen te verrichten in twee of meer EU-lidstaten. 4.9. Appellanten stellen dat zij met de stukken die zij hebben ingebracht, aannemelijk hebben gemaakt dat zij ten tijde in geding geen substantieel gedeelte van hun werkzaamheden hebben verricht in Nederland. In dit verband hebben appellanten gewezen op de tabellen die zij hebben overgelegd met hun individuele arbeidstijden. 4.10. De Raad is van oordeel dat op basis van de stukken die appellanten hebben overgelegd, niet met voldoende zekerheid, objectief, kan worden vastgesteld of appellanten ten tijde van belang al dan niet een substantieel gedeelte van hun werkzaamheden in Nederland hebben verricht. Deze tabellen zijn door appellanten zelf ingevuld en bijgehouden en hierop heeft geen enkele controle plaatsgevonden. Deze tabellen zijn niet gelijk te stellen aan de door de Svb opgevraagde vaartijdenboeken welke officiële registraties bevatten in het kader van Bijlage A1 bij het Reglement en het Arbeidstijdenbesluit vervoer. Daar komt bij dat de tabellen met individuele arbeidstijden van appellanten die [bedrijf] heeft overgelegd, afwijken van de tabellen die appellanten hebben overgelegd. Bij gebrek aan objectief verifieerbare informatie over de individuele arbeidstijden van appellanten, heeft de Svb uit mogen gaan van zijn berekening die is gemaakt aan de hand van de verstrekte vaartijdenboeken. 4.11. Appellanten hebben verder nog aangevoerd dat zij in 2017 slechts 24% van de tijd in Nederland hebben gevaren en dat de Svb desondanks heeft bepaald dat appellanten een substantieel gedeelte in hun woonland Nederland hebben gewerkt. 4.12. In de uitspraak van de Raad van 28 februari 2019 heeft de Raad in punt 4.3.2.2 overwogen dat een werknemer die minder dan 25% in de lidstaat van zijn woonplaats werkt, toch geacht mag worden een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden te verrichten in zijn woonstaat indien er voldoende overige omstandigheden zijn die daarop duiden. Naarmate een werknemer minder werkt in de lidstaat van zijn woonplaats, zullen hiervoor meer of zwaarwegender overige omstandigheden aannemelijk moeten zijn. 4.13. Naar het oordeel van de Raad heeft de Svb bij de bestreden besluiten die betrekking hebben op de verzekeringspositie van de opvarenden van de [naam schip], op toereikende gronden aangenomen dat appellanten een substantieel gedeelte van hun werkzaamheden verrichtten in hun woonstaat Nederland. De Svb heeft daarbij terecht in aanmerking genomen dat appellanten in 2016 28%, in 2017 24% en in 2018 26% van de tijd in Nederland hebben gevaren. Hoewel het percentage in 2017 minder is dan 25%, is ook in dat jaar terecht aangenomen door de Svb dat sprake is van substantieel werken in Nederland, gelet op de omstandigheden dat appellanten in Nederland wonen, dat het schip in Nederland is geregistreerd en dat de eigenaar en exploitant van het schip in Nederland zijn gevestigd. Conclusie 4.14. Wat voor het overige nog is aangevoerd, behoeft geen verdere bespreking. Uit 4.4 tot en met 4.13 volgt dat appellanten tijdens de bezwaarprocedure onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat bij de besluiten van 8 november 2019 ten onrechte de Nederlandse socialeverzekeringswetgeving voorlopig op hen van toepassing is verklaard. Het meningsverschil tussen de bevoegde organen van Nederland en Liechtenstein bleef derhalve bestaan. Reeds om die reden moest de Svb ook na de heroverweging in bezwaar de Nederlandse wetgeving voorlopig als toepasselijk aanwijzen. Bij de bestreden besluiten zijn de besluiten van 8 november 2019 dan ook terecht in stand gelaten, zij het dat hieraan niet expliciet (mede) artikel 6 van de Toepassingsverordening ten grondslag is gelegd. In de aangevallen uitspraken zijn de beroepen terecht ongegrond verklaard. De aangevallen uitspraken zullen daarom worden bevestigd. 5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken. Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van Gijzen als voorzitter en M. Wolfrat en M.L. Noort als leden, in tegenwoordigheid van M.E. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2022. (getekend) A.van Gijzen (getekend) M.E. van Donk Tegen uitspraken van de Raad kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip verzekerde. Bijlage Basisverordening (Verordening (EG) nr. 883/2004) Artikel 2 ‘Personele werkingssfeer 1. Deze verordening is van toepassing op onderdanen van een lidstaat, staatlozen en vluchtelingen, die in een van de lidstaten wonen, en op wie de wetgeving van een of meer lidstaten van toepassing is of geweest is, alsmede op hun gezinsleden en hun nabestaanden. 2. Tevens is deze verordening van toepassing op de nabestaanden van de personen op wie de wetgeving van een of meer lidstaten van toepassing is geweest, ongeacht de nationaliteit van die personen, indien hun nabestaanden onderdanen van één van de lidstaten, staatlozen of vluchtelingen zijn die in één van de lidstaten wonen.’ Artikel 13, eerste lid (tekst vanaf 28 juni 2012) ‘Verrichten van werkzaamheden in twee of meer lidstaten 1. Op degene die in twee of meer lidstaten werkzaamheden in loondienst pleegt te verrichten, is van toepassing: a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.