203247 PW-PV Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 augustus 2020, 20/621 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college) Datum uitspraak: 31 mei 2022 Zitting heeft: M. Hillen, lid van de enkelvoudige kamer Griffier: B. van Dijk Ter zitting zijn verschenen: Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Zonneveld. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen. Het college heeft de bijstand van appellant herzien over de periode van 1 februari 2018 tot en met 28 februari 2019 en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand (na bezwaar) tot een bedrag van € 4.356,74 van appellant teruggevorderd op de grond dat appellant in de te beoordelen periode stortingen en bijschrijvingen op zijn bankrekening heeft ontvangen, waarvan hij geen melding heeft gemaakt bij het college. Het college heeft deze stortingen en bijschrijvingen aangemerkt als inkomen. In verband met de schending van de inlichtingenverplichting heeft het college een boete (na bezwaar) van € 610,- opgelegd. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak geoordeeld dat periodieke betalingen van derden, waaronder familieleden, aan bijstandsontvangers – ongeacht in welke vorm deze worden verstrekt en waarover vrijelijk kan worden beschikt – als inkomen van de bijstandsontvanger worden aangemerkt, ook als het eenmalige betalingen betreft. Appellant heeft de inlichtingenverplichting geschonden door geen melding te maken bij het college van de stortingen en bijschrijvingen. Daarbij heeft de rechtbank geoordeeld dat het college heeft aangetoond dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden en bij het vaststellen van de boete terecht is uitgegaan van verminderde verwijtbaarheid. De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, zijn nagenoeg een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellant heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van de betrokken gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dan wel onvolledig is. De Raad kan zich daarom vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen waarop dat oordeel rust en benadrukt dat het college heeft aangetoond dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de stortingen en bijschrijvingen op zijn bankrekening. Gelet hierop was het college in beginsel verplicht met toepassing van artikel 18a van de Participatiewet een boete op te leggen. Daarbij is rekening gehouden met de draagkracht van appellant en is het college uitgegaan van verminderde verwijtbaarheid. Daarom is de boete van € 610,- evenredig. Geen grond bestaat om de boete verder te matigen. Het hoger beroep slaagt niet en voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Waarvan proces-verbaal. De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer (getekend) B. van Dijk (getekend) M. Hillen
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.