Datum uitspraak: 8 juni 2022 21/3292 WW en 21/3299 ZW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 21 juli 2021, 20/1648 en 20/1819 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. L. de Widt, advocaat, hoger beroepen ingesteld. Het Uwv heeft op 30 november 2021 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. Bij brief van 4 januari 2022 heeft mr. de Widt namens appellant de hoger beroepen ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten Het Uwv heeft bij brief van 17 februari 2022 laten weten akkoord te gaan met een veroordeling in de proceskosten in de zaak met nummer 21/3299 ZW met dien verstande dat de proceskosten in bezwaar reeds zijn vergoed. Het Uwv heeft in voormelde brief verder laten weten niet akkoord te gaan met een veroordeling in de proceskosten in de zaak met nummer 21/3292 WW omdat het bestreden besluit in die zaak niet is gewijzigd. Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten. OVERWEGINGEN In artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb is bepaald dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep. Namens appellant zijn de hoger beroepen ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 30 november 2021 aan de bezwaren van appellant is tegemoetgekomen. 213292 WW Het Uwv heeft met de beslissing op bezwaar van 30 november 2021 het in de WW-zaak bestreden besluit niet gewijzigd en is dus in deze zaak niet aan appellant tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb. De Raad is dan ook van oordeel dat het verzoek om proceskostenveroordeling in deze zaak dient te worden afgewezen. 213299 ZW Aangezien het Uwv de gemaakte kosten in bezwaar heeft vergoed, moet de Raad alleen nog oordelen over de in beroep en hoger beroep gemaakte kosten. De Raad ziet aanleiding het Uwv te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.518,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting) en € 759,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift). In totaal bedraagt de proceskostenvergoeding € 2.277,-. Voor vergoeding van het betaalde griffierecht kan appellant zich rechtstreeks tot het Uwv wenden. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.277,-. Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van H. Alajai als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2022. (getekend) F.M. Rijnbeek (getekend) H. Alajai GdJ
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.