213583 PW Datum uitspraak: 14 juni 2022 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 23 augustus 2021, 19/3407 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Hellevoetsluis (college) PROCESVERLOOP Appellante heeft hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 mei 2022. Appellante is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Yavuzyiğitoğlu en [naam] . OVERWEGINGEN 1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.1. Appellante ontving bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW). Zij woont in een woning die haar eigendom is. 1.2. Appellante heeft op 1 januari 2019 bijzondere bijstand aangevraagd voor woonkosten over het jaar 2019. 1.3. Bij besluit van 1 maart 2019, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 28 mei 2019 (bestreden besluit), heeft het college deze aanvraag afgewezen. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat de woonkostentoeslag is bedoeld voor een overgangsfase na een inkomensterugval en slechts voor een beperkte periode wordt verstrekt om de betrokkene in staat te stellen om de woonlasten in overeenstemming te brengen met het inkomen. In aanmerking genomen dat appellante zich al geruime tijd in een uiterst nijpende financiële situatie bevindt, mag van appellante daarom worden verwacht dat zij zich maximaal inspant om goedkopere woonruimte te vinden. Gedurende de urgentieperiode en daarna heeft appellante zes woningaanbiedingen en een groepsbezichtiging van een woning geweigerd. Niet is gebleken dat zij andere pogingen heeft ondernomen om goedkopere woonruimte te vinden. Hiermee heeft appellante niet voldaan aan de inspanning die van haar verwacht mag worden. De woonkosten kunnen dan ook niet worden aangemerkt als uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten. 2. Bij de aangevallen uitspraak, voor zover van belang, heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellante met het ingestelde beroep misbruik maakt van recht, zodat haar in deze zaken met toepassing van de artikelen 3:13 en 3:15 van het Burgerlijk Wetboek (BW) de toegang tot de bestuursrechter dient te worden ontzegd. Dat oordeel berust op de volgende overwegingen, waarbij voor eiseres appellante en voor verweerder het college moet worden gelezen. “ 5.1 Bij eerder tussen partijen gewezen uitspraken heeft de rechtbank kort samengevat geoordeeld dat verweerder bevoegd was eiseres bij toekenning van de bijzondere bijstand voor woonkosten (over de jaren 2013 en 2014) een verhuisplicht op te leggen en voorts dat verweerder de door eiseres over de jaren 2016, 2017, 2018 aangevraagde bijzondere bijstand voor woonkosten terecht heeft afgewezen omdat geen sprake was van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan. Zie de uitspraken van deze rechtbank van 10 mei 2017 (ECLI:NL:RBROT:2017:3502), 5 december 2017 (ECLI:NL:RBROT:2017:9545), 14 maart 2018 (ECLI:NL:RBROT:2018:2002) en 3 juli 2019 (ECLI:NL:RBROT:2019:5265). Deze uitspraken van de rechtbank zijn door de Raad bevestigd bij uitspraken van 9 juli 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:2233) en 6 november 2020 (ECLI:NL:CRVB:2020:2747). 5.2 Wat eiseres in dit beroep heeft aangevoerd is een herhaling van wat zij in de hiervoor genoemde beroepen heeft aangevoerd. De rechtbank stelt vast dat de Raad in haar uitspraken uitvoerig is ingegaan op de door eiseres aangevoerde gronden en dat de Raad deze gronden gemotiveerd weerlegd heeft. Hoewel eiseres zich op het standpunt stelt dat verweerder de noodzaak van de bijzondere bijstand voor woonkosten had moeten beoordelen, heeft zij ter zitting van 17 mei 2021 geweigerd antwoord te geven op vragen van de rechtbank over de stand van zaken met betrekking tot haar koopwoning. Ook op de stelling van verweerder, namelijk dat de woning inmiddels niet meer te koop staat, heeft eiseres desgevraagd niet willen reageren. Met de onder 5.1 genoemde uitspraken, waarin de Raad onder meer heeft geoordeeld dat van eiseres kan worden verlangd dat zij een oplossing zoekt voor haar relatief hoge woonlasten, had het eiseres hangende dit beroep duidelijk kunnen zijn dat de door haar ingenomen standpunten over het recht op woonkostentoeslag geen kans van slagen hadden. Uit de omstandigheid dat eiseres tegen die achtergrond dit beroep heeft gehandhaafd terwijl zij kennelijk geen antwoord wil geven op vragen van de rechtbank over de woning waarvoor zij de bijzondere bijstand aanvraagt, concludeert de rechtbank dat het eiseres niet daadwerkelijk te doen is om het verkrijgen van duidelijkheid over haar rechtspositie. Hieruit volgt dat eiseres de bevoegdheid om beroep tegen het bestreden besluit in te stellen zodanig evident heeft aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid gegeven is, dat het aanwenden van die bevoegdheid blijk geeft van kwade trouw. Eiseres maakt hiermee misbruik van recht.” 3. In hoger beroep heeft appellante zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk is verklaard. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. Aangevallen uitspraak 4.1.1. In geschil is of de rechtbank het beroep van appellante terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat zij met het ingestelde beroep misbruik van recht maakt. 4.1.2. Ingevolge artikel 3:13, eerste lid, van het BW kan degene aan wie een bevoegdheid toekomt haar niet inroepen voor zover hij haar misbruikt. In het tweede lid is bepaald dat een bevoegdheid onder meer kan worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen. Ingevolge het derde lid kan uit de aard van een bevoegdheid voortvloeien dat zij niet kan worden misbruikt. 4.1.3. Ingevolge artikel 3:15 van het BW vindt artikel 3:13 buiten het vermogensrecht toepassing, voor zover de aard van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet. 4.1.4. Zoals de Raad eerder heeft geoordeeld (zie de uitspraak van 22 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:307) verzetten de in 4.1.2 en 4.1.3 genoemde bepalingen zich tegen een inhoudelijke behandeling van een bij de bestuursrechter ingesteld beroep dat misbruik van bevoegdheid behelst en zij bieden dan ook een wettelijke grondslag om een zodanig beroep niet-ontvankelijk te verklaren. 4.1.5. Voor het niet-ontvankelijk verklaren van een bij een rechter ingesteld rechtsmiddel wegens misbruik van recht zijn zwaarwichtige gronden vereist, aangezien met de niet-ontvankelijkverklaring de betrokkene in feite het recht op toegang tot de rechter wordt ontzegd. Dit geldt temeer wanneer het gaat om een door de burger tegen de overheid aangewend rechtsmiddel, gelet op de – soms zeer verstrekkende – bevoegdheden waarover de overheid beschikt. Alleen als over de zwaarwichtige gronden geen enkele twijfel bestaat, volgt niet-ontvankelijkverklaring. Zwaarwichtige gronden zijn onder meer aanwezig indien rechten of bevoegdheden zodanig evident zijn aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij gegeven zijn, dat het aanwenden van die rechten of bevoegdheden blijk geeft van kwade trouw. Een min of meer overmatig beroep op de door de overheid geboden faciliteiten levert in het algemeen op zichzelf geen misbruik van recht op. Elk beroep op die faciliteiten brengt immers kosten met zich voor de overheid en benadeelt die overheid in zoverre. Wel kan het aantal malen dat een bepaald recht of bevoegdheid wordt aangewend, in combinatie met andere omstandigheden, bijdragen aan de conclusie dat sprake is van misbruik van recht. Zie de in 4.1.4 genoemde uitspraak en de uitspraak van 10 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:642. 4.2. Appellante kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat zij met het ingestelde beroep misbruik van recht maakt. 4.3. Deze beroepsgrond slaagt. Daartoe is het volgende redengevend. 4.3.1. Appellante heeft op 8 juli 2019 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Vaststaat dat de door de rechtbank genoemde uitspraken van 9 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2233 en 6 november 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2747, ten tijde van het instellen van dat beroep nog niet waren gedaan 4.3.2. Omdat deze uitspraken van de Raad ten tijde van het instellen van het beroep nog niet waren gedaan en anders dan de rechtbank kennelijk van oordeel is, was er destijds sprake van een reëel geschilpunt en had het instellen van het beroep een redelijk doel. Voor zover de rechtbank in de eerder tussen partijen gewezen uitspraken over de besluitvorming inzake bijzondere bijstand voor woonkosten over de jaren 2013 en 2014, 2016, 2017 en 2018 een oordeel heeft gegeven over beroepsgronden die appellante ook in dit geschil over bijzondere bijstand voor woonkosten over het jaar 2019 naar voren heeft gebracht, is dat geen reden om daarover anders te oordelen. Immers, zou appellante geen beroep tegen het bestreden besluit hebben ingesteld en zou zij nadien in (een van) de procedure(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.