214174 WIA-PV Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 22 november 2021, 20/2133 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 20 juni 2022 Zitting heeft: mr. T. Dompeling Griffier: M.C.G. van Dijk Partijen zijn niet ter zitting verschenen. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen. Het Uwv heeft bij besluit van 19 december 2019 de uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) van appellant met ingang van 20 februari 2020 beëindigd, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 6 augustus 2020 (bestreden besluit) gegrond verklaard. Het Uwv heeft besloten de WIA-uitkering van appellant met ingang van 20 februari 2020 tot 1 september 2022 ongewijzigd voort te zetten omdat hij 47,01% arbeidsongeschiktheid is. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak afdoende gemotiveerd waarom deze gronden niet slagen. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen worden onderschreven. Daaraan wordt toegevoegd dat geen aanleiding bestaat te oordelen dat het medisch onderzoek in bezwaar onzorgvuldig is geweest omdat geen fysiek onderzoek heeft plaatsgevonden. In het rapport van 20 januari 2022 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep afdoende gemotiveerd waarom in bezwaar voldoende onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij is van belang dat bij appellant de psychische klachten op de voorgrond stonden en er bij de primaire beoordeling reeds een uitgebreid lichamelijk en psychisch onderzoek heeft plaatsgevonden. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep appellant telefonisch gesproken en kon zij beschikken over een uitgebreid medisch dossier waarin ook actuele informatie van de behandelaars van appellant rond de datum in geding aanwezig was. Omdat op basis van de door appellant aangevoerde gronden geen twijfel bestaat over de juistheid van de medische beoordeling door het Uwv, ziet de Raad geen aanleiding voor het inschakelen van een onafhankelijk deskundige. Dit verzoek van appellant wordt daarom afgewezen. Nu het Uwv pas in hoger beroep een afdoende motivering heeft gegeven voor het ontbreken van een fysiek onderzoek in bezwaar, leidt dit tot de conclusie dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd, zoals artikel 7:12 eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vereist. Dit gebrek zal met toepassing van artikel 6:22 Awb worden gepasseerd, omdat aannemelijk is dat appellant hierdoor niet is benadeeld. Ook als het gebrek zich niet zou hebben voorgedaan, zou een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen. Het hoger beroep slaagt niet. De toepassing van artikel 6:22 van de Awb vormt aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep, in totaal € 1.518,- (1 punt in beroep voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt in hoger beroep voor het indienen van een hoger beroepschrift), en om te bepalen dat het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 182,- moet vergoeden. Waarvan proces-verbaal. De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer (getekend.) M.C.G. van Dijk (getekend.) T. Dompeling
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.