← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2022:1519

20 4085 WIA Datum uitspraak: 5 juli 2022 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 oktober 2020, 19/6342 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. S. Çakal, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juni

  1. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.L.M. Dunselman. OVERWEGINGEN 1.
  2. Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als inpakker in een koekjesfabriek voor 32,22 uur per week. Op 23 maart 2009 heeft hij zich ziek gemeld met (toegenomen) fysieke klachten en ook psychische klachten. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv aan appellant met ingang van 21 maart 2011 een WGA-loonaanvullingsuitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 80 tot 100%. Op 31 december 2014 is appellant geremigreerd naar Turkije. 1.
  3. In verband met een herbeoordeling heeft de verzekeringsarts een (aanvullend) medisch onderzoek en psychiatrisch expertiseonderzoek aangevraagd bij Bureau Sociale Zaken van de Nederlandse Ambassade in Turkije. Dit onderzoek is op 6 maart 2019 uitgevoerd in de [naam kliniek] Kliniek in [plaats] , Turkije, door dr. Ş.S. Esin en psychiater K Şerifi, die appellant hebben onderzocht. De bevindingen van het onderzoek zijn vastgelegd in een medisch rapport van 6 maart
  4. Een verzekeringsarts van het Uwv heeft vervolgens vastgesteld dat appellant belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die hij heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 21 mei
  5. Een arbeidsdeskundige heeft functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 6,90%. Het Uwv heeft bij besluit van 30 mei 2019 de WGA-uitkering van appellant met ingang van 5 december 2019 beëindigd, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 23 oktober 2019 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van 16 oktober 2019 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
  6. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest. Ook heeft de rechtbank geoordeeld dat geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de verzekeringsgeneeskundige onderzoeksbevindingen. Niet is gebleken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de psychische beperkingen van appellant op de datum in geding heeft onderschat. De rechtbank is ook niet gebleken van een discrepantie tussen wat is benoemd en aangenomen door de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de informatie van de behandelaars van appellant. Met de psychische klachten van appellant is voldoende rekening gehouden. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de klachten van appellant aan heupen en ellebogen, voor zover geobjectiveerd, voldoende gemotiveerd zijn vertaald in beperkingen. Voor het aannemen van meer beperkingen in verband met deze klachten bestaat geen aanleiding. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende heeft gemotiveerd waarom op basis van de overgelegde medische stukken uit 2015, die zien op een cyste in de hersenen en op rugklachten, geen aanvullende beperkingen worden aangenomen. De rechtbank is uitgegaan van de juistheid van de FML van 21 mei
  7. Niet is gebleken dat de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies niet passend voor appellant zouden zijn. 3.
  8. Appellant heeft in hoger beroep evenals in beroep aangevoerd dat het verzekeringskundig onderzoek niet zorgvuldig is geweest en dat onvoldoende beperkingen zijn aangenomen. 3.
  9. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
  10. De Raad oordeelt als volgt. 4.
  11. Van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. 4.
  12. In geschil is de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 5 december 2019 heeft vastgesteld op minder dan 35% en terecht de WIA-uitkering van appellant heeft beëindigd. 4.
  13. Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, is in essentie een herhaling van de gronden die hij al in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken. Het oordeel van de rechtbank en de aan dit oordeel ten grondslag gelegde overwegingen, hiervoor onder 2 weergegeven, worden onderschreven. Appellant heeft in hoger beroep geen medische informatie overgelegd die tot een ander oordeel leidt. 4.
  14. Uit 4.2 en 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
  15. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door M. Schoneveld, in tegenwoordigheid van L.R. Kokhuis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 juli
  16. (getekend) M. Schoneveld (getekend) L.R. Kokhuis

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.