← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2022:1572

213752 TOZO-PV Datum uitspraak: 28 juni 2022 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 september 2021, 21/2184 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Schiedam (college) Zitting heeft: W.F. Claessens Griffier: J.E. Eikelenboom Namens appellant is mr. N. Talhaoui, advocaat, verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.M.A. Desain. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen. Appellant heeft op 25 juni 2020 verzocht om verlenging van de bijstand die hem tot 1 juni 2020 was verleend op grond van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo). Hij woonde tot en met 30 juni 2020 op adres X in [plaats]. Daarna woonde hij daar niet meer, omdat de woning op dat adres werd gesloopt. Het college heeft de aanvraag afgewezen en deze afwijzing na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 19 april

  1. Aan dat besluit ligt ten grondslag dat appellant nog aanspraak kon maken op studiefinanciering en dat zijn woonsituatie onduidelijk was. Nadat appellant beroep tegen dat besluit had ingesteld, heeft hij informatie verstrekt waaruit bleek dat hij geen studiefinanciering meer kon krijgen. Om die reden heeft het college op 25 juni 2021 een nieuw besluit genomen (bestreden besluit). Bij dat besluit heeft het college appellant over de periode van 1 tot en met 30 juni 2020 bijstand op grond van de Tozo toegekend en de aanvraag afgewezen voor zover het de periode vanaf 1 juli 2020 betreft. In zoverre ligt aan het bestreden besluit ten grondslag dat vanaf 1 juli 2020 onduidelijk is waar appellant zijn woonplaats heeft als bedoeld in artikel 40 van de Participatiewet (PW) en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. De rechtbank heeft het bestreden besluit in stand gelaten voor zover dit besluit ziet op de periode vanaf 1 juli
  2. Het hoger beroep richt zich tegen dat deel van de aangevallen uitspraak. Appellant heeft aangevoerd dat, gelet op de toekenning van bijstand over de periode van 1 tot en met 30 juni 2020, op het college de bewijslast rust om feiten en omstandigheden te stellen die de conclusie kunnen dragen dat appellant vanaf 1 juli 2020 niet meer in [plaats] verbleef. Deze beroepsgrond slaagt niet. Het bestreden besluit is te beschouwen als een besluit op de aanvraag van 25 juni
  3. Dat bij dat besluit de aanvraag voor een deel is ingewilligd en voor een deel niet, betekent niet, anders dan appellant stelt, dat het besluit voor de periode vanaf 1 juli 2020 moet worden beschouwd als een voor appellant belastend besluit. Van een impliciete intrekking van de toegekende bijstand vanaf 1 juli 2020 is geen sprake. Gelet hierop is het aan appellant, als aanvrager, om aannemelijk maken dat hij vanaf 1 juli 2020 recht heeft op bijstand van het college. In dat kader zal hij feiten en omstandigheden aannemelijk moeten maken die duidelijkheid geven over zijn woonsituatie vanaf die datum. Appellant heeft aangevoerd dat uit een door hem in beroep ingediende verklaring van bewoner Y van adres Z volgt dat hij vanaf 1 juli 2020 verblijf in [plaats] heeft gehad. In deze verklaring staat dat appellant “minimaal 5 dagen per week bankslaper was op [het adres van Y] in de periode van 01-07-2020 t/m 01-04-2021”. Voor zover appellant hiermee heeft willen aanvoeren dat hij met die verklaring aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanaf 1 juli 2020 zijn woonplaats in [plaats] had en dus recht had op bijstand van het college, slaagt deze beroepsgrond niet. Daarbij is het volgende van betekenis. In artikel 40, eerste lid, van de PW is bepaald dat het recht op bijstand bestaat jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 1:10, eerste lid, en 1:11, van het Burgerlijk Wetboek. Voor het antwoord op de vraag waar de woonplaats is in de zin van artikel 40, eerste lid, van de PW is bepalend waar de betrokkene zijn hoofdverblijf heeft en, als geen hoofdverblijf is aan te wijzen, waar hij werkelijk verblijft. Het hoofdverblijf van een betrokkene is daar waar het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven zich bevindt. Dit dient te worden bepaald aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Op grond van de verklaring van Y kan niet worden vastgesteld waar het zwaartepunt van het persoonlijk leven van appellant zich bevond in de te beoordelen periode, die loopt van 1 juli 2020 tot en met 11 augustus 2020, en ook niet waar hij in die periode werkelijk verbleef. Deze enkele verklaring is dus al om die reden niet voldoende om aannemelijk te achten dat appellant in de te beoordelen periode zijn woonplaats in [plaats] had. Appellant heeft verder geen concrete informatie verschaft over zijn feitelijke verblijfplaats in de te beoordelen periode. Het enige bekende adresgegeven van appellant in die periode is een postadres in de gemeente Rotterdam. Appellant heeft dus niet aannemelijk gemaakt dat hij in de te beoordelen periode zijn woonplaats in [plaats] had. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, wordt daarom bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag voor de periode vanaf 1 juli 2020 in stand blijft. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. Waarvan proces-verbaal. De griffier. Het lid van de enkelvoudige kamer. (getekend) J.E. Eikelenboom (getekend) W.F. Claessens Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 30 november 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:
  4. Vergelijk de uitspraak van 1 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9162.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.