Datum uitspraak: 25 januari 2022 21/751 PW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 4 februari 2021, 20/1538 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Helder (college) PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. OVERWEGINGEN In artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift een griffierecht wordt geheven. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep. Bij brief van 27 februari 2021 is appellant erop gewezen dat een griffierecht van € 134,- is verschuldigd, en is medegedeeld dat dit bedrag uiterlijk 28 dagen na de dag van verzending van de brief op de in die brief genoemde bankrekening moet zijn bijgeschreven. Bij aangetekende brief van 30 maart 2021 is appellant nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is medegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de datum van deze brief op de in die brief genoemde bankrekening dient te zijn bijgeschreven dan wel contant moet zijn betaald op het bezoekadres van de Raad. Daarbij is erop gewezen dat als het griffierecht niet tijdig wordt betaald, appellant er rekening mee moet houden dat het (hoger) beroep niet inhoudelijk behandeld zal worden. Bij brief van 28 april 2021 heeft appellant meegedeeld dat hij bij het college bijzondere bijstand heeft aangevraagd voor de kosten van griffierecht, maar dat tot nu toe een beslissing en betaling is uitgebleven. Bij brief van 28 mei 2021 is appellant gewezen op de criteria die gelden voor het aannemen van ‘betalingsonmacht’. Appellant is een termijn van twee weken gegeven om door middel van het invullen en retourneren van het bij de brief gevoegde formulier te reageren op voornoemde brief. Daarbij is appellant erop gewezen dat het beroep op betalingsonmacht wordt afgewezen als het formulier niet op tijd is teruggestuurd, niet compleet is ingevuld en/of gegevens ontbreken en dat er geen gelegenheid is tot aanvulling van het formulier of de gegevens. Bij brief van 24 juni 2021 heeft de Raad appellant meegedeeld dat hij niet (op tijd) heeft voldaan aan het verzoek om informatie en dat zijn beroep op betalingsonmacht om die reden wordt afgewezen. Daarbij is appellant meegedeeld dat hij een nieuwe herinnering griffierecht zal krijgen en is hem verzocht het griffierecht binnen de in de herinnering gestelde termijn te betalen. Voorts is erop gewezen dat overschrijding van die termijn kan leiden tot een niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep. Bij brief van 29 juli 2021 is appellant meegedeeld dat de brief van 28 april 2012 is aangemerkt als een verzoek om betalingsonmacht. Daarbij is appellant nogmaals de gelegenheid geboden om het bij de brief gevoegde formulier binnen vier weken te retourneren. Appellant heeft dit formulier ingevuld en teruggezonden. De Raad heeft het op 6 augustus 2021 ontvangen. Bij brief van 6 augustus 2021 heeft de Raad een inkomensverklaring met betrekking tot appellant opgevraagd bij de Raad voor Rechtsbijstand. Bij brief van 23 augustus 2021 heeft de Raad voor Rechtsbijstand de inkomensverklaring overgelegd. Uit deze verklaring blijkt dat het verzamelinkomen van appellant € 9.173,- bedraagt in het peiljaar
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.