185603 WAJONG, 18/5604 WAJONG Datum uitspraak: 20 juli 2022 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 19 september 2018, 17/7480 en 18/3484 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. E. Gadzo, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft een rapport van T. den Daas, bedrijfsarts, verzekeringsarts niet praktiserend, optometrist, van 23 december 2019 ingebracht. Het Uwv heeft hierop gereageerd. Appellant heeft in reactie een rapport van Den Daas van 27 april 2020 ingebracht. De Raad heeft aanleiding gezien C.J.P. Brouwer, verzekeringsarts, als deskundige in te schakelen. De deskundige heeft op 23 juli 2021 rapport uitgebracht, waarop door appellant door middel van rapporten van Den Daas van 9 augustus 2021 en 27 augustus 2021 is gereageerd. De deskundige heeft op 30 november 2021 aanvullend gerapporteerd. Appellant heeft hierop gereageerd met een rapport van Den Daas van 25 januari 2022. Tevens zijn aangepaste en aanvullende rapporten van Den Daas door appellant ingebracht. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juni 2022. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. K.C.A.M. Oomen, advocaat. Tevens is Den Daas als medisch adviseur verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.A. Vermeijden. OVERWEGINGEN 1.1. Appellant, geboren op [geboortedatum] 1974, heeft in verband met lichamelijke beperkingen sinds 1992 een uitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) ontvangen die per 1 januari 1998 is voortgezet als uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 1998), gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. 1.2. Met ingang van 1 januari 2015 is de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 2015) in werking getreden. Bij brief van 22 november 2016 heeft het Uwv aan appellant een voorlopige beoordeling arbeidsvermogen gestuurd, waarin is vermeld dat aangenomen wordt dat appellant arbeidsvermogen heeft. Appellant heeft in reactie daarop te kennen gegeven het niet eens te zijn met deze beoordeling. Bij besluit van 18 april 2017 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant arbeidsvermogen heeft, als gevolg waarvan de Wajong‑uitkering met ingang van 1 januari 2018 wordt verlaagd van 75% naar 70% van het minimumloon. In een werkplan Wajong van 18 juli 2017 zijn de met appellant gemaakte afspraken over re-integratie vastgelegd. 1.3. Bij besluit van 11 oktober 2017 (bestreden besluit) heeft het Uwv de door appellant tegen het besluit van 18 april 2017 en het werkplan van 18 juli 2017 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de verlaging van de Wajong-uitkering naar 70% van de grondslag per 1 januari 2018, ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat sprake is van een zorgvuldig onderzoek en dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat appellant ten minste vier uur per dag en ten minste één uur aaneengesloten belastbaar is, een taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie en beschikt over basale werknemersvaardigheden. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld over het beroep tegen de werkplannen Wajong van 18 juli 2017, 1 november 2017, vervangen door het werkplan van 2 november 2017. 3.1. Het hoger beroep van appellant richt zich slechts tegen de verlaging van de Wajonguitkering per 1 januari 2018 naar 70% van de grondslag. Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte het Uwv heeft gevolgd in zijn standpunt dat hij beschikt over arbeidsvermogen. Appellant heeft aangevoerd dat hij niet ten minste vier uur per dag belastbaar is en dat een zittende taak als ‘bemannen balie’ voor hem niet geschikt is. Hij heeft daartoe verwezen naar de rapporten van Den Daas, die door hem in hoger beroep zijn ingebracht. 3.2. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. 4. De Raad oordeelt als volgt. 4.1. Voor het wettelijk kader wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 12 juni 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2078. 4.2. In geschil is of het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant op 1 januari 2018 arbeidsvermogen had. Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten heeft de betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) als hij (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.