21 163 WAJONG, 21/164 WIA Datum uitspraak: 20 juli 2022 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 8 december 2020, 19/3491 (aangevallen uitspraak 1) en 19/3494 (aangevallen uitspraak 2) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. J.A. van Gemeren, advocaat, hoger beroepen ingesteld. Het Uwv heeft verweerschriften ingediend. Nadien heeft appellante nadere stukken ingediend en heeft het Uwv gereageerd. Het onderzoek ter zitting heeft via videobellen plaatsgevonden op 15 juni 2022. De zaken zijn gevoegd behandeld. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Gemeren. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.L.J. Weltevrede. OVERWEGINGEN 1. De Raad gaat uit van de volgende in deze zaken van belang zijnde feiten en omstandigheden. Wajong 1.1. Appellante, geboren op [geboortedatum] 1990, heeft op 2 augustus 2016 een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) aangevraagd. Bij besluit van 23 december 2016 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen, omdat appellante mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. Appellante heeft tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt. 1.2. Op 15 juni 2018 heeft appellante opnieuw een Wajonguitkering aangevraagd. Daarbij is vermeld dat appellante moeite heeft met opstaan, persoonlijke verzorging, tillen, zwaar huishoudelijk werk en koken. Volgens de gemeente die haar een bijstandsuitkering verstrekt heeft appellante geen mogelijkheden om te werken. Bij de aanvraag is informatie gevoegd van Bureau VolZin dat door de gemeente is ingeschakeld om de belastbaarheid van appellante in kaart te brengen. Hierin is geconcludeerd dat de medische situatie van appellante maakt dat er voor haar geen passende beroepen zijn te formuleren en dat daarom een Wajonguitkering wordt aangevraagd. 1.3. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht. Bij besluit van 15 oktober 2018 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen omdat appellante arbeidsvermogen heeft. 1.4. Bij besluit van 13 juni 2019 (bestreden Wajongbesluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 15 oktober 2018 ongegrond verklaard. Hieraan liggen een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 14 mei 2019 en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 12 juni 2019 ten grondslag. 1.5. Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden Wajongbesluit ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank heeft een zorgvuldig onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie bij appellante plaatsgevonden. De overgelegde medische gegevens zijn bij de beoordeling betrokken en de verzekeringsarts bezwaar en beroep was aanwezig op de hoorzitting. Verder heeft de arbeidsdeskundige overleg gehad met de verzekeringsarts, gesproken met appellante en haar moeder en gesproken met S. Verschoor van bureau VolZin. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft eveneens het dossier bestudeerd en was aanwezig op de hoorzitting. Volgens de rechtbank is de motivering van de verzekeringsartsen ook voldoende begrijpelijk. In verband met de lichamelijke en psychische klachten zijn beperkingen aangenomen. De verzekeringsartsen hebben overtuigend en inzichtelijk toegelicht dat appellante met deze beperkingen vanuit medisch oogpunt arbeidsvermogen heeft. Ook de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft inzichtelijk en zonder tegenstrijdigheden gemotiveerd hoe zijn beoordeling tot stand is gekomen en dat de taak van scanner voor appellante onder voorwaarden geschikt is. Op grond van de verschillende opleidingen en de werkervaring van appellante is er geen aanleiding om te twijfelen aan het beschikken over werknemersvaardigheden. WIA 2.1. Appellante was voor het laatst werkzaam als huishoudelijk medewerker voor gemiddeld 13,39 uur per week. Op 22 februari 2017 heeft zij zich ziek gemeld met lichamelijke en psychische klachten. In het kader van een aanvraag op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft appellante op 21 januari 2019 het spreekuur bezocht van een arts van het Uwv. Deze arts heeft vastgesteld dat appellante belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die zij heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkheden-lijst (FML) van 21 januari 2019. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor het laatstelijk verrichte werk. Zij heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend. Bij besluit van 31 januari 2019 heeft het Uwv geweigerd aan appellante met ingang van 20 februari 2019 (datum in geding) een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 13 juni 2019 (bestreden WIA-besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van 14 mei 2019 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van 12 juni 2019 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. 2.2 Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden WIAbesluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat de medische onderzoeken gebaseerd zijn op anamnese, eigen onderzoek door de arts en verzekeringsarts bezwaar en beroep, de gegevens van de behandelend sector en de observaties tijdens de hoorzitting. Volgens de rechtbank bestaat daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de medische onderzoeken niet op zorgvuldige wijze hebben plaatsgevonden. Ook bestaat volgens de rechtbank geen aanleiding het medisch oordeel voor onjuist te houden. Niet is gebleken dat het Uwv een onvolledig beeld heeft gehad van de medische situatie van appellante per de datum in geding of dat met de klachten van appellante onvoldoende rekening is gehouden bij het opstellen van de FML. In dit verband heeft de rechtbank gewezen op de aanscherping van de FML door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de bezwaarfase. Dat appellante door de gemeente is ontheven van de sollicitatieverplichtingen maakt dit niet anders, omdat het daarbij gaat om een andere procedure met een eigen juridisch kader. De rechtbank heeft verder geen grond gezien voor het oordeel dat de belasting van de geselecteerde functies de mogelijkheden van appellante overschrijdt. Ook is er geen aanleiding voor het oordeel dat appellante niet voldoet aan de kwalificaties voor de geselecteerde functies, omdat zij een administratieve en secretariële beroepsopleiding met een diploma heeft afgerond. 3.1. Appellante heeft in de hoger beroepen aangevoerd dat ten onrechte onbesproken is gebleven dat zij voor de algemene dagelijkse levensverrichtingen volledig afhankelijk is van haar moeder. Verder zijn de psychische klachten nog meer toegenomen. Als gevolg van irritaties bij en door de stoma en door het regelmatig losschieten van de stoma, heeft appellante slapeloze nachten en moet zij veel extra wassen. Dit leidt tot extra beperkingen bij arbeid. Aaneengesloten werken is dan ook onmogelijk, evenals de belastbaarheid voor een dagdeel. Appellante stelt zich dan ook op het standpunt dat zij geen arbeidsvermogen heeft en dat zij geen benutbare arbeidsmogelijkheden heeft. 3.2. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraken te bevestigen. 4. De Raad oordeelt als volgt. Aangevallen uitspraak 1 - Wajong 4.1.1. Op grond van artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong is jonggehandicapte de ingezetene die: a. op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft; b. na de in onderdeel a bedoelde dag als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en in het jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop dit is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was. 4.1.2. Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit) heeft de betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) als hij (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.