16/7083 WIA, 18/222 WIA, 18/276 WIA en 21/2660 WIA Datum uitspraak: 3 augustus 2022 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Oost-Brabant van 17 oktober 2016, 16/1101 (aangevallen uitspraak 1) en van 30 november 2017, 17/632 (aangevallen uitspraak 2) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) V.O.F. [naam werkgever] te [vestigingsplaats] (werkgever) PROCESVERLOOP Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld (16/7083). Namens appellante heeft mr. A. Sahin, advocaat, hoger beroep ingesteld (18/222). Namens werkgever heeft mr. J.P.M. van Zijl, advocaat, hoger beroep ingesteld (18/276). Het Uwv heeft op 17 maart 2021 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. Het Uwv heeft op 10 januari 2022 de beslissing op bezwaar van 17 maart 2021 gewijzigd. Bij brief van 11 januari 2022 heeft mr. Sahin namens appellante het hoger beroep ingetrokken en verzocht om het Uwv te veroordelen in de proceskosten. Bij brief van 11 januari 2022 heeft mr. Van Zijl namens werkgever het hoger beroep ingetrokken en verzocht om het Uwv te veroordelen in de proceskosten Het Uwv heeft bij brief van 2 februari 2022 en mail van 2 juni 2022 gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen naar aanleiding van het verzoek om vergoeding van de proceskosten van appellante. Het Uwv heeft bij brief van, eveneens gedateerd, 2 februari 2022 gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen naar aanleiding van het verzoek om vergoeding van de proceskosten van de werkgever. Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten. OVERWEGINGEN Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Op grond van artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep. Wat betreft het verzoek van appellante om het Uwv te veroordelen in de proceskosten wordt het volgende overwogen. Namens appellante is het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 10 januari 2022 geheel aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen. In verband hiermee ziet de Raad aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en de hoger beroepen in de zaken (16/7083, 18/222, 18/276 en 21/2660) redelijkerwijs heeft moeten maken. Daarbij gaat de Raad uit van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), nu deze zaken gelijktijdig zijn behandeld door de Raad en de werkzaamheden in de zaken nagenoeg identiek zijn geweest, zodat zij voor toepassing van artikel 2, eerste lid, onder a, van het Bpb in hoger beroep worden beschouwd als één zaak. Voorts is bij deze berekening de wegingsfactor 1 toegepast. De proceskosten worden, op grond van het Bpb en de verweerschriften van het Uwv van 2 februari 2022 en 2 juni 2022, als volgt begroot. Voor de zaak 16/7083 worden de proceskosten begroot op € 759,- in beroep (1 punt voor het verschijnen ter zitting). De kosten in de zaak 18/222 worden begroot op € 1.082,- in bezwaar (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, met een waarde per punt van € 541,-), en in beroep op € 1.518,- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 759,-) en € 1.518,- in hoger beroep (1 punt voor het hogerberoepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 759,-). Het Uwv wordt gevolgd in zijn standpunt dat appellante in de zaak 18/276 zowel in beroep als in hoger beroep geen verweerschrift heeft ingediend. Met toepassing van artikel 3 van het Bpb is de vergoeding voor het verschijnen ter zitting in de zaak 18/276 inbegrepen in de vergoeding voor het verschijnen ter zitting in de zaak 18/
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.