201903 PW-PV, 20/1904 PW-PV Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 17 maart 2020, 19/4066 en 19/5991 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Leiden (college) Datum uitspraak: 5 juli 2022 Zitting heeft: O.L.H.W.I. Korte Griffier: J.E. Eikelenboom Partijen zijn niet ter zitting verschenen. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
- Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet. Bij besluit van 18 april 2019 (besluit 1) heeft het college de bijstand beëindigd met ingang van 1 april
- Bij besluit van 29 april 2019 (besluit 2) heeft het college de bijstand herzien over de periode van 25 maart 2019 tot en met 31 maart 2019 en een bedrag van € 231,58 van appellant teruggevorderd. Bij besluit van 16 mei 2019 heeft het college besluit 1 ingetrokken en bij besluit van 14 juni 2019 heeft het college besluit 2 ingetrokken. Bij besluiten op bezwaar van 1 juni 2019 en 8 augustus 2019 heeft het college de bezwaren van appellant tegen de besluiten 1 en 2 kennelijk ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat met de intrekking van de besluiten van besluit 1 en 2 geheel tegemoet is gekomen aan de bezwaren van appellant, dat niet aan de voorwaarden is voldaan om in aanmerking te komen voor vergoeding van verletkosten en dat de kosten van bezwaar niet worden vergoed omdat appellant niet als professionele rechtsbijstandverlener kan worden aangemerkt. De rechtbank heeft deze besluitvorming in stand gelaten en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
- Appellant heeft in hoger beroep erover geklaagd dat het college niet op zitting is verschenen. De rechtbank had de zitting daarom moeten annuleren of appellant gelijk moeten geven. Verder stelt appellant dat het college al 28 jaar onvoldoende doet om hem aan een baan te helpen, dat hij vele uren heeft besteed aan het opstellen van zijn bezwaarschrift en dat de rechtbank in zijn geval een uitzondering had moeten maken door niet de standaardregels op hem toe te passen.
- Deze gronden leiden niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. De rechtbank is niet bevoegd om bij het niet-verschijnen van een partij ter zitting de zaak te annuleren. De bestuursrechter kan aan het niet verschijnen van een partij ter zitting alleen betekenis toekennen in het geval die partij is opgeroepen om ter zitting te verschijnen. In dit geval heeft de rechtbank het college niet opgeroepen. Dat appellant vele uren aan het opstellen van zijn bezwaarschrift heeft besteed, is niet van betekenis omdat op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht alleen de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand kunnen worden vergoed en niet de door appellant zelf gemaakte uren. Van verlet bij appellant is niet gebleken. Ook de grond dat de rechtbank appellant anders dan anderen had moeten behandelen, slaagt niet. Eenieder is gelijk voor de wet en de rechtbank heeft terecht geen grond gezien om appellant anders te behandelen dan andere rechtzoekenden. De overige door appellant aangedragen gronden hebben geen betrekking op de besluitvorming die hier aan de orde is en kunnen daarom onbesproken blijven.
- Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
- Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. Waarvan proces-verbaal. De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer (getekend) J.E. Eikelenboom (getekend) O.L.H.W.I. Korte