193405 WMO15-PV Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker) het college van burgemeester en wethouders van Etten-Leur (college) de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (de Staat) Datum uitspraak: 27 juli 2022 Zitting hebben: J. Brand als voorzitter en D. Hardonk-Prins en A.T. Marseille als leden Griffier: R. van Doorn Voor verzoeker is mr. T.M.J. Oosterhuis-Putter, advocaat, ter zitting verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.L.B. Spruijt. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan verzoeker van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 1000,-; veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 759,-. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
- Verzoeker en het college hebben ter zitting overeenstemming bereikt over wat hen verdeeld houdt en zij hebben daarover een schikking getroffen. Verzoeker wil nog slechts een uitspraak op het door hem ingediende verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden gehandhaafd. 2.
- Voor de wijze van beoordeling van een dergelijk verzoek om schadevergoeding wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). Voor dit geval betekent dit het volgende. 2.
- Zoals ter zitting is bevestigd, heeft het verzoek om schadevergoeding alleen betrekking op de duur van de procedure bij de Raad. Deze procedure is begonnen met de ontvangst van het hogerberoepschrift op 6 augustus 2019 en heeft geduurd tot de uitspraak van de Raad op 27 juli
- De procedure bij de Raad heeft dus twee jaar en ruim elf maanden geduurd, waarmee de Raad de hem toekomende behandelingsduur van twee jaar heeft overschreden, terwijl daarmee ook de totale behandelingsduur in de rechterlijke fase is overschreden. Dit betekent dat de Raad de redelijke termijn heeft geschonden. Dat leidt tot een schadevergoeding van (twee maal € 500,- is) € 1000,-.
- Aanleiding bestaat om de Staat te veroordelen in de proceskosten van verzoeker. Deze kosten worden begroot op € 759,- voor verleende rechtsbijstand (één punt voor het indienen van het verzoekschrift en één punt voor de toelichting van het verzoek ter zitting met wegingsfactor 0,5). Waarvan proces-verbaal. De griffier De voorzitter van de meervoudige kamer (getekend) R. van Doorn (getekend) J. Brand Voor eensluidend afschrift de griffier van de Centrale Raad van Beroep