203103 WAJONG Datum uitspraak: 24 augustus 2022 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 augustus 2020, 19/5450 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft [naam] hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Appellante heeft nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft een nader rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep en van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juli 2022. Appellante is verschenen, bijgestaan door [naam]. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C. Geldof. OVERWEGINGEN 1.1. Appellante, geboren op [geboortedatum] 1992, heeft met een door het Uwv op 3 oktober 2018 ontvangen formulier laattijdig een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) aangevraagd. Bij die aanvraag heeft appellante melding gemaakt van psychische klachten. Daarbij is een intakeverslag en een psychodiagnostisch onderzoek van Yulius gevoegd. Het Uwv heeft een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek verricht. Bij besluit van 6 maart 2019 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen, omdat appellante arbeidsvermogen heeft. 1.2. Appellante heeft bezwaar gemaakt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft na onderzoek in zijn rapport van 7 oktober 2019 geconcludeerd dat er geen reden is voor een andere conclusie dan die van de verzekeringsarts. Dat appellante een stage niet heeft kunnen volbrengen, betekent volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet dat appellante niet in staat is een taak te verrichten die wel binnen haar mogelijkheden ligt. Met het besluit van 9 oktober 2019 (bestreden besluit) heeft het Uwv onder verwijzing naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep het bezwaar ongegrond verklaard. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank voldoen de rapporten van de verzekeringsarts, de arbeidsdeskundige en de verzekeringsarts bezwaar en beroep aan de voorwaarden dat deze op een zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, geen tegenstrijdigheden bevatten en voldoende begrijpelijk zijn. Verder hebben de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep de beschikbare gegevens van de behandelaars van appellante meegewogen. De arbeidsdeskundige heeft ook een gesprek met appellante gevoerd en overleg gehad met de verzekeringsarts. De rechtbank heeft daarom geoordeeld dat er een zorgvuldig onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarnaast hebben de verzekeringsarts, de arbeidsdeskundige en de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk en zonder tegenstrijdigheden gemotiveerd hoe hun beoordeling tot stand is gekomen. De verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep hebben gemotiveerd toegelicht dat appellante vier uur per dag en één uur aaneengesloten belastbaar is. Verder heeft de arbeidsdeskundige toegelicht dat appellante beschikt over basale werknemersvaardigheden omdat zij instructies kan begrijpen, onthouden en als zodanig kan uitvoeren. Appellante laat dit onder meer zien bij het uitoefenen van haar hobby en het gaan naar afspraken. Verder heeft de arbeidsdeskundige toegelicht dat appellante de taak handmatig afwassen in een arbeidsorganisatie kan uitvoeren. Dat appellante vroegtijdig haar stage heeft gestaakt, betekent ook volgens de rechtbank niet dat zij niet in staat is om een taak te verrichten die binnen haar mogelijkheden ligt. Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat appellante pas laat een Wajong-uitkering heeft aangevraagd. Dat door tijdsverloop de medische situatie op de achttiende verjaardag van appellante mogelijk niet meer verantwoord is vast te stellen, komt volgens vaste rechtspraak voor risico van appellante. Hierbij heeft de rechtbank gewezen op de uitspraak van de Raad van 28 november 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:3961). 3.1. Appellante heeft in hoger beroep haar standpunt herhaald dat onjuiste conclusies zijn getrokken. Verder is aangevoerd dat al langere tijd wordt geprobeerd om voor appellante passend werk te vinden, maar dat dit niet mogelijk is vanwege haar (on)vermogen tot arbeid. Tot slot is opgemerkt dat appellante op termijn 24 uur per dag begeleiding krijgt en dat zij beschermd gaat wonen. 3.2. Het Uwv heeft bevestiging aan de aangevallen uitspraak bepleit. 4. De Raad oordeelt als volgt. 4.1.1. Op grond van artikel 1a:1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wajong is jonggehandicapte de ingezetene die op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. 4.1.2. Op grond van het tweede lid wordt de ingezetene die op de dag als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b, beperkingen ondervindt als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling, maar op grond van het eerste lid niet aangemerkt wordt als jonggehandicapte, alsnog jonggehandicapte in de zin van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen, indien hij binnen vijf jaar na die dag duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, indien dit voorkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij beperkingen als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling ondervond op de dag, bedoeld in onderdeel a of b. 4.1.3. Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit) heeft de betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) als hij (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.