← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2022:2256

Datum uitspraak: 19 oktober 2022 19/2393 en 19/2394 ZW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 19 april 2019, 18/1963 en 19/4 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. W.J.F. Nieuwenhuis, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober

  1. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote [naam echtgenote] en door zijn gemachtigde mr. W.J.F. Nieuwenhuis. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door H. ten Brinke via een Skype-verbinding. De Raad heeft het onderzoek heropend en een deskundige benoemd. Deze heeft op 28 december 2021 een rapport uitgebracht. Het Uwv heeft op 26 januari 2022 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. Bij brief van 15 maart 2022 heeft mr. Nieuwenhuis namens appellant het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten. Het Uwv heeft met een brief van 7 juni 2022 laten weten zich te kunnen vinden in een proceskostenvergoeding overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht. Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten. OVERWEGINGEN In artikel 8:75a. eerste lid, eerste volzin, van de Awb is bepaald dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep. Namens appellant is het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 26 januari 2022 volledig aan de bezwaren van appellant is tegemoetgekomen. Uit de gewijzigde beslissing op bezwaar blijkt dat het Uwv de kosten voor verleende rechtsbijstand in bezwaar al heeft vergoed. Deze kosten komen dan ook niet voor vergoeding in aanmerking. De Raad ziet aanleiding het Uwv te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de Behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 2.277,- in beroep (2 punten voor het indienen van de beroepschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting) en €1.897,50 in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0.5 punt voor de zienswijze na verslag deskundigenonderzoek). In totaal bedraagt de proceskostenvergoeding € 4.174,
  2. Voor vergoeding van het betaalde griffierecht kan appellant zich rechtstreeks tot het Uwv Wenden. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 4.174,
  3. Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van H. Alajai als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 oktober
  4. (getekend) F.M. Rijnbeek (getekend) H. Alajai GdJ

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.