211467 AW, 21/1468 AW, 21/2448 AW, 21/2449 AW Datum uitspraak: 10 november 2022 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 maart 2021, 19/5203 en 20/3148 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. J.W.C. van Kleef hoger beroep ingesteld en verzocht om het college te veroordelen tot vergoeding van schade, bestaande uit wettelijke rente over het achterstallig salaris van appellant. Namens het college heeft mr. S.J. Hauser, advocaat, een verweerschrift ingediend en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld. Namens appellant heeft mr. Van Kleef een zienswijze ingediend naar aanleiding van het incidenteel hoger beroep. Partijen hebben nadere stukken ingezonden. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 september 2022. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Kleef. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Hauser, drs J. Schans en S. Ujzanovitch. OVERWEGINGEN 1.1. Met ingang van 1 januari 2020 is de Ambtenarenwet gewijzigd en Ambtenarenwet 2017 (AW 2017) gaan heten. Op grond van artikel 16, tweede lid, van de AW 2017 blijft op besluiten of handelingen die vóór 1 januari 2020 bekend zijn gemaakt, het toen geldende recht van toepassing wat betreft de mogelijkheid om bezwaar te maken of beroep in te stellen en wat betreft de behandeling van dat bezwaar of beroep. 1.2. Appellant is per 1 oktober 2002 in dienst getreden bij de gemeente Amsterdam. Hij was laatstelijk aangesteld in de functie van [naam functie 1] (salarisschaal 12) bij de [naam afdeling] . 1.3. Op 21 november 2013 heeft appellant toestemming gevraagd voor het uitvoeren van onbezoldigde nevenwerkzaamheden als bestuurslid van een nieuwe instelling voor het voortgezet onderwijs. Bij besluit van 19 december 2013 is deze toestemming gegeven onder de voorwaarde dat appellant zijn werkgever op de hoogte stelt wanneer belangenverstrengeling ontstaat. 1.4. De nevenwerkzaamheden van appellant bestonden eruit dat hij [naam functie 2] was van het bestuur van de Stichting [Stichting] ( [Stichting] ). [Stichting] is bestuurder van het [naam school] in Amsterdam. Tussen 2013 en 2017 zijn de gemeente Amsterdam en [Stichting] met elkaar verwikkeld geweest in diverse juridische procedures over huisvesting en financiële middelen voor het [naam school] . Vanaf eind 2017 hebben diverse gesprekken tussen appellant en zijn leidinggevende plaatsgevonden, waarbij ook de nevenwerkzaamheden van appellant zijn besproken. Hierbij is appellant onder meer gewezen op de voorwaarde waaronder de toestemming is verleend en is hem verzocht hierop meer alert te zijn. 1.5. Op 7 november 2018 heeft appellant zich ziek gemeld. 1.6. Nadat in november 2018 het vermoeden ontstond dat appellant in de jaren 2015 tot en met 2017 niet al zijn genoten verlof juist heeft geregistreerd, heeft het college op 18 januari 2019 het Bureau Integriteit van de gemeente Amsterdam (BI) opdracht gegeven hiernaar onderzoek te doen. Het onderzoek is later uitgebreid met het jaar 2018. BI heeft op 1 augustus 2019 een rapport uitgebracht. 1.7. Op 7 maart 2019 heeft de burgemeester van Amsterdam een brief ontvangen van de Nationaal Coördinator Terrorisme en Veiligheid (NCTV). Hierin is vermeld dat de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) zorgelijke signalen heeft overgebracht over antidemocratische en anti-integratieve gedragingen van richtinggevende personen binnen het [naam school] . Diezelfde dag heeft de burgemeester het bestuur van de onderwijsinstelling ontboden op het stadhuis en het voltallige bestuur dringend verzocht per direct op te stappen. 1.8. Op 12 maart 2019 heeft het college aan appellant het voornemen kenbaar gemaakt om het besluit van 19 december 2013 te herzien door de toestemming voor de nevenwerkzaamheden bij [Stichting] te beëindigen. In afwachting van het definitieve besluit daarover en vanwege het lopende onderzoek van BI heeft het college appellant bij besluit van 12 maart 2019, voor zover van belang, geschorst met behoud van salaris en aan hem een verbod op toegang tot de werkplek opgelegd. 1.9. Bij besluiten van 9 april 2019 en 29 april 2019 heeft het college bepaald dat het salaris van appellant vanwege arbeidsongeschiktheid langer dan zes maanden voor 90% procent zal worden doorbetaald over de uren waarin hij geen re-integratie-activiteiten verrichtte. Daarbij is verwezen naar artikel 7.4, tweede en vijfde lid, van de Nieuwe Rechtspositieregeling Gemeente Amsterdam (NRGA). 1.10. Appellant heeft zijn zienswijze gegeven op het in 1.8 genoemde voornemen. Bij besluit van 29 mei 2019 heeft het college het besluit van 19 december 2013 herzien en de verleende toestemming voor het verrichten van nevenwerkzaamheden beëindigd. Appellant is opgedragen zijn werkzaamheden als bestuurslid bij [Stichting] op de kortst mogelijke termijn neer te leggen en zijn leidinggevende binnen twee weken na dagtekening van het besluit schriftelijk in kennis te stellen van het moment daarvan. Appellant is meegedeeld dat disciplinaire maatregelen kunnen volgen indien hij hieraan geen gehoor geeft. 1.11. Het college heeft de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 12 maart 2019, 9 april 2019, 29 april 2019 en 29 mei 2019 bij besluit van 3 september 2019 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard. 1.12. Bij brief van 5 september 2019 heeft het college appellant (nogmaals) opgedragen zijn nevenfunctie bij [Stichting] neer te leggen en zijn leidinggevende binnen drie dagen te berichten van het moment daarvan. Bij brief van 13 september 2019 heeft appellant meegedeeld hieraan niet te zullen voldoen. 1.13. Nadat het college het voornemen daartoe bekend had gemaakt en appellant zijn zienswijze daarover naar voren had gebracht, heeft het college bij besluit van 15 oktober 2019 appellant primair de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd op grond van artikel 13.6, eerste lid, aanhef en onder f, van de NRGA. Subsidiair is op grond van artikel 12.12, aanhef en onder b, van de NRGA ontslag verleend wegens een duurzame verstoring van de arbeidsverhouding en een ontstane impasse. In het kader van het strafontslag is appellant verweten: I. dat hij, ondanks dat de toestemming voor zijn nevenfunctie bij [Stichting] is ingetrokken, ook na herhaald verzoek, weigert zijn nevenfunctie neer te leggen en daarmee geen uitvoering heeft gegeven aan de besluiten van het college daarover; II. dat hij zich hierdoor schuldig heeft gemaakt aan het laten voortbestaan van de schijn van een ontoelaatbare belangenverstrengeling tussen zijn eigen (privé en/of zakelijke) belangen en de belangen van de gemeente; III. dat hij niet binnen de gestelde termijn heeft gereageerd op de brief van 5 september 2019; IV. dat hij zijn verlofuren over de jaren 2015 tot en met 2018 bij herhaling en over een langere periode niet, dan wel niet juist en volledig, heeft geregistreerd en afgeboekt in Mijn Personeelsnet; V. dat hij als gevolg daarvan zonder overleg dan wel toestemming van zijn leidinggevenden aanzienlijk meer verlofuren heeft genoten (totaal 262,27 uur) dan het verlof waar hij volgens de geldende regels recht op had; VI. dat hij tijdens het onderzoek door BI niet de vereiste transparantie en openheid over zijn verlofopnamen heeft betracht. Bij besluit van 28 april 2020 (bestreden besluit 2) heeft het college, voor zover van belang, het bezwaar van appellant tegen het besluit van 15 oktober 2019 ongegrond verklaard. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. Wat betreft bestreden besluit 1 heeft de rechtbank overwogen dat het college in de brief van de NCTV van 7 maart 2019 aanleiding heeft mogen zien voor nader onderzoek en het hangende daarvan treffen van ordemaatregelen. Over de korting op de loondoorbetaling heeft de rechtbank overwogen dat in bestreden besluit 1 gemotiveerd op de daartegen aangevoerde bezwaargronden is ingegaan en dat appellant in beroep op dit punt geen nieuwe gronden naar voren heeft gebracht. Er bestaat volgens de rechtbank, ook gelet op de overige oordelen, geen aanleiding het beroep op dit punt gegrond te verklaren. De rechtbank heeft verder overwogen dat het college bevoegd was de verleende toestemming voor de nevenwerkzaamheden bij [Stichting] in te trekken. Over bestreden besluit 2 heeft de rechtbank overwogen dat BI op inzichtelijke en deugdelijke wijze is gekomen tot de vaststelling van een negatief verlofsaldo van 262,27 uur, dat sprake is van het langdurig en structureel onvoldoende registreren van verlofuren en dat het college terecht heeft aangenomen dat appellant zich hiermee schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim. Verder heeft appellant onbetwist geen gevolg gegeven aan de opdracht tot beëindiging van de nevenwerkzaamheden en ook in dit opzicht heeft hij zich schuldig gemaakt aan plichtsverzuim. Dit plichtsverzuim is, samen het plichtsverzuim ten aanzien van de verlofuren, naar het oordeel van de rechtbank zodanig ernstig dat de disciplinaire straf van ontslag evenredig is te achten. De rechtbank heeft de overige verweten gedragingen daarom onbesproken gelaten. 3. Naar aanleiding van wat partijen hebben aangevoerd komt de Raad tot de volgende beoordeling. Schorsing 3.1. In artikel 13.2, tweede lid, van de NRGA is, voor zover van belang, bepaald dat de ambtenaar kan worden geschorst met behoud van salaris en de toegekende salaristoelage(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.