213427 AOW Datum uitspraak: 17 november 2022 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 augustus 2021, 21/479 (aangevallen uitspraak) Partijen: de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb) [Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene) PROCESVERLOOP De Svb heeft hoger beroep ingesteld. Namens betrokkene heeft mr. F.M. Meis, advocaat, een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2022. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.Y. van den Berg. Betrokkene is niet verschenen. Zij heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Meis. OVERWEGINGEN 1.1. Betrokkene is op 5 september 2002 gehuwd met [naam echtgenoot] (echtgenoot). De echtgenoot van betrokkene is op 16 augustus 2007 teruggekeerd naar zijn geboorteland Engeland. Betrokkene heeft op 29 mei 2020 bij de Svb een aanvraag gedaan om toekenning van een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW). Betrokkene heeft bij de aanvraag vermeld dat zij duurzaam gescheiden leeft van haar echtgenoot. 1.2. Bij besluit van 17 juni 2020 heeft de Svb aan betrokkene met ingang van 17 oktober 2020 een ouderdomspensioen naar de norm van een gehuwde toegekend. Bij besluit van 14 januari 2021 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar tegen het besluit van 17 juni 2020 ongegrond verklaard. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen over proceskosten en griffierecht, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de Svb opgedragen een nieuw besluit te nemen. Volgens de rechtbank is sprake van duurzaam gescheiden leven omdat betrokkene en haar echtgenoot al veertien jaar niet meer bij elkaar wonen en niet over elkaars huissleutel beschikken. Ook zijn de financiën van betrokkene en haar echtgenoot volledig van elkaar gescheiden en is er tussen de echtgenoten geen sprake van wederzijdse zorg. Dat betrokkene en haar echtgenoot nog regelmatig contact met elkaar hebben, wijst volgens de rechtbank niet in een andere richting. Zij bellen weliswaar dagelijks, maar als dit contact al gezien kan worden als zorg voor haar echtgenoot, dan is die zorg in ieder geval niet wederzijds. Verder spreken zij eens in de twee tot drie maanden een weekend af en gaan zij twee keer per jaar twee weken op vakantie, maar zij slapen dan niet samen en ondernemen samen geen activiteiten. Dit alles gaat naar het oordeel van de rechtbank niet uit boven het niveau van een normaal sociaal contact. 3. In hoger beroep heeft de Svb aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat sprake is van duurzaam gescheiden leven omdat dit niet ondubbelzinnig uit de feiten en omstandigheden blijkt. Het feit dat betrokkenen hun hoofdverblijf niet in dezelfde woning hebben, is immers volgens vaste rechtspraak van de Raad niet voldoende om aan te nemen dat sprake is van een situatie van duurzaam gescheiden leven. Verder wijst de Svb erop dat in de rechtspraak van de Raad juist veel belang gehecht wordt aan de omstandigheid dat de echtelieden nog veel contact hebben, zich naar buiten toe als gehuwd presenteren, zorg dragen voor elkaar of nog geregeld activiteiten met elkaar ondernemen. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. Ingevolge artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW, wordt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is als ongehuwd aangemerkt. 4.2. Voor gevallen waarin geen sprake is van een ongewilde verbreking van de huwelijkse samenleving legt de Raad het begrip duurzaam gescheiden leven als volgt uit. Gehuwde mensen leven pas duurzaam gescheiden als aan al de volgende voorwaarden is voldaan: a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.