← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2022:2477

213414 WIA Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 augustus 2021, 20/1088 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (Duitsland) (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 17 november 2022 PROCESVERLOOP De Raad heeft in het geding tussen partijen op 8 augustus 2022 een tussenuitspraak, ECLI:NL:CRVB:2022:1731, gedaan (tussenuitspraak). Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het Uwv op 13 september 2022 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb, is een nader onderzoek ter zitting achterwege gelaten en is het onderzoek gesloten. OVERWEGINGEN 1.1.Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de tussenuitspraak. Hij volstaat met het volgende. 1.

  1. Bij besluit van 21 januari 2019 heeft het Uwv geweigerd aan appellant met ingang van 3 januari 2019 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 13 januari 2020 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. 1.
  2. Met een gewijzigde beslissing op bezwaar van 13 september 2022 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 21 januari 2019 gegrond verklaard. Het Uwv heeft appellant per 3 januari 2019 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 80 tot 100%. 1.
  3. Bij brief van 10 oktober 2022 heeft appellant te kennen gegeven geen bezwaren te hebben tegen de gewijzigde beslissing op bezwaar van 13 september
  4. Appellant heeft verzocht zo spoedig mogelijk uitspraak te doen en het Uwv te veroordelen in de kosten van de bezwaarprocedure en de proceskosten van het hoger beroep.
  5. De Raad oordeelt als volgt. 2.
  6. Vastgesteld wordt dat het besluit van 13 september 2022 geheel tegemoetkomt aan de bezwaren van appellant tegen het bestreden besluit van 13 januari
  7. Dit betekent dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.
  8. Er bestaat aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. 3.
  9. De proceskosten worden, op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.518,- in hoger beroep (1 punt voor het hogerberoepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting) voor verleende rechtsbijstand. Voor een veroordeling van het Uwv in de kosten van bezwaar, zoals appellant heeft verzocht, bestaat geen aanleiding, omdat de rechtbank in de aangevallen uitspraak het Uwv al heeft veroordeeld in die kosten. 3.
  10. Op het door appellant ter zitting van de Raad ingediende formulier proceskosten heeft appellant (ook) verzocht om vergoeding van reiskosten voor het bijwonen van de zitting bij de rechtbank en bij de Raad. 3.2.
  11. De door appellant geclaimde reiskosten in verband met het bijwonen van de zitting bij de rechtbank komen niet voor vergoeding in aanmerking. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank een proceskostenveroordeling uitgesproken, zonder vergoeding voor de reiskosten. Vastgesteld wordt dat appellant zich in hoger beroep niet heeft gekeerd tegen de door de rechtbank uitgesproken proceskostenveroordeling. Het slechts invullen van het formulier proceskosten lopende de procedure van het hoger beroep is daarvoor onvoldoende. 3.2.
  12. De door appellant geclaimde reiskosten in verband met het bijwonen van de zitting bij de Raad komen wel voor vergoeding in aanmerking. De Raad stelt deze reiskosten vast op € 90,
  13. 3.
  14. De door het Uwv te vergoeden proceskosten bedragen in totaal € 1.608,
  15. Tevens is er aanleiding te bepalen dat het Uwv het in hoger beroep betaalde griffierecht aan appellant vergoedt. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep - verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk; - veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 1.608,16; - bepaalt dat het Uwv aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 134,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling, in tegenwoordigheid van R. van der Heide als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 november
  16. (getekend) T. Dompeling (getekend) R. van der Heide

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.