← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2022:2563

Datum uitspraak: 29 november 2022 22/1548 TOZO-V Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 maart 2022, 21/4643 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het Drechtstedenbestuur (college) PROCESVERLOOP De Raad heeft het hoger beroep van appellant tegen de aangevallen uitspraak van 24 maart 2022 niet ontvankelijk verklaard. De Raad heeft die beslissing genomen op grond van de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Appellant heeft verzet gedaan. Het verzet is behandeld op de zitting van 4 november

  1. Appellant is op de zitting verschenen. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen. OVERWEGINGEN De Raad heeft het hoger beroep van appellant in de uitspraak van 2 augustus 2022 niet-ontvankelijk verklaard omdat het hoger beroep niet tijdig is ingediend. De laatste dag waarop tijdig een hogerberoepschrift kon worden ingediend was 5 mei
  2. Het hogerberoepschrift is op 18 mei 2022 bij de Raad ontvangen. De termijn voor het indienen van hoger beroep is dus overschreden. In verzet heeft appellant aangegeven dat hij vrachtwagenchauffeur is en dat tijdens de storm in februari 2022 de deur van zijn vrachtwagen terug klapte. Daar heeft appellant behoorlijk lang last van gehad. Daardoor is de termijn voor het indienen van het beroepschrift aan zijn aandacht ontsnapt. Verder heeft appellant verklaard dat hij van een medewerker van de rechtbank Rotterdam had gehoord dat de laatste dag van de termijn 18 mei 2022 was. Tevens gaf appellant aan dat als de uitspraak 8:54 duidelijker was geweest, appellant het erbij had laten zitten om een verzetschrift in te dienen. De Raad ziet geen aanleiding om anders te oordelen dan de uitspraak van de Raad van 2 augustus
  3. In die uitspraak is de Raad ingegaan op het argument van appellant dat hij had gehoord dat de laatste dag van de termijn 18 mei was. Appellant heeft op zitting zijn verbazing uitgesproken dat er door de Raad geen contact is opgenomen met de betreffende medewerker en dat daarover niets is gezegd in de uitspraak. De Raad overweegt dat uit het dossier blijkt dat appellant pas na het einde van de beroepstermijn contact heeft opgenomen met de rechtbank in Rotterdam en geen contact heeft gezocht met de Raad. Appellant is door de rechtbank gewezen op de beroepstermijn van zes weken, dit staat duidelijk onder de uitspraak. Dat heeft appellant ook erkend. Uit de verklaring van appellant blijkt dat hem door de medewerker van de rechtbank is meegedeeld dat zij dacht dat de termijn op 18 mei afliep, maar dat ze niet wist hoe dat kon en ook geen juridisch advies mocht geven. Onder die omstandigheden is er geen aanleiding voor het oordeel dat appellant zonder meer op deze mededeling mocht afgaan en was er ook geen aanleiding om contact op te nemen met de rechtbank. De laatste dag om tijdig hoger beroep in te stellen was 5 mei 2022 en het hogerberoepschrift is op 18 mei 2022 ontvangen. Dit is buiten de termijn, het hoger beroep is daarmee te laat ingediend. De verklaring van appellant dat hij door medische klachten te laat was, is evenmin een reden om het hogerberoepschrift toch ontvankelijk te achten.Appellant wist dat de uitspraak zou komen, want hij was op de zitting geweest en had hulp kunnen vragen van derden bij het afhandelen van zijn (belangrijke) zaken. Verder heeft hij dit voor het eerst op de verzetszitting naar voren gebracht, waarbij hij niet heeft verklaard of onderbouwd dat hij in het geheel niet in staat was om zijn post af te handelen. Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard. Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding. Het betaalde griffierecht van € 136,- zal door de griffier van de Raad aan appellant worden terugbetaald. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet niet-ontvankelijk. Bepaalt dat het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 136,- door de griffier van de Raad aan appellant wordt terugbetaald. Deze uitspraak is gedaan door J.C. Boeree, in tegenwoordigheid van F.C. Meershoek als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 november
  4. (getekend) J.C. Boeree (getekend) F.C. Meershoek

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.