Datum uitspraak: 8 december 2022 22/474 WUV Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het geding tussen: Partijen: [Appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb) PROCESVERLOOP Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Svb van 6 december 2021, met kenmerk BZ
- OVERWEGINGEN Ingevolge de artikelen 6:7, 6:8, 6:9 en 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geldt het volgende. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken. Deze termijn gaat in met ingang van de dag na die waarop de aangevallen uitspraak door middel van de toezending van een afschrift aan partijen is bekendgemaakt. Een beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Bij verzending per post is een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Het besluit waartegen beroep is ingesteld is op 6 december 2021 aan appellante toegezonden. Het beroepschrift is op 28 januari 2022 door de Svb ontvangen en door hem doorgestuurd naar de Raad, waar het op 2 januari 2022 is binnengekomen. Op grond hiervan moet worden geoordeeld dat het beroepschrift niet tijdig is ingediend. Ten aanzien van een na afloop van de beroepstermijn ingediend beroepschrift blijft nietontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Bij brief van 22 juli 2022 is aan appellante gevraagd naar de reden van de termijnoverschrijding. Appellante heeft daarop bij brief, ingekomen op 23 augustus 2022, geantwoord dat zij vanwege haar geestelijk welzijn niet in staat was om het beroepschrift eerder in te dienen. Wat appellante heeft aangevoerd, bevat geen grond waarop redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest. De Raad overweegt daartoe dat niet is gebleken dat appellante niet in staat is geweest om tijdens de beroepstermijn haar belangen te behartigen of te doen behartigen. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door Y. Sneevliet, in tegenwoordigheid van M.C.G. van Dijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 december
- (getekend) Y. Sneevliet (getekend) M.C.G. van Dijk Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.