214486 AOW Datum uitspraak: 8 december 2022 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 november 2021, 21/3938 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb) PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 september 2022. Appellant is verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.A.H. Koning. OVERWEGINGEN Feiten 1.1. Appellant is in 2006 gehuwd met [naam echtgenote] (echtgenote). Hij ontvangt vanaf oktober 2011 een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) voor een gehuwde pensioengerechtigde (gehuwdenpensioen). Op 16 januari 2021 heeft appellant de Svb gevraagd hem in aanmerking te brengen voor een ongehuwdenpensioen. Daarbij heeft hij aangegeven dat de leefsituatie met zijn echtgenote is gewijzigd. In maart 2021 heeft de Svb een onderzoek gedaan naar de vraag of aan appellant een ongehuwdenpensioen zou moeten worden toegekend, omdat hij duurzaam gescheiden zou leven van zijn echtgenote. Besluitvorming Svb 1.2. De Svb heeft in een besluit van 23 april 2021 appellant bericht dat zijn ouderdomspensioen ongewijzigd wordt voortgezet naar dat van een gehuwde pensioengerechtigde, omdat geen sprake is van duurzaam gescheiden leven als bedoeld in artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW. 1.3. Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 23 april 2021 heeft de Svb ongegrond verklaard in een besluit van 22 juni 2021 (bestreden besluit). Wat heeft de rechtbank geoordeeld? 2. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank vindt dat geen sprake is van een situatie van duurzaam gescheiden leven tussen appellant en zijn echtgenote. Wat hebben partijen aangevoerd? 3.1. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij duurzaam gescheiden van zijn echtgenote leeft. Zij wonen niet samen en ondernemen geen gezamenlijke activiteiten. Wel hebben zij een gezamenlijk vakantiehuisje in Frankrijk. Aangezien het Franse recht geen andere overeenkomst kent dan het huwelijk, waren appellant en zijn echtgenote genoodzaakt om te huwen om geen kapitaalverlies van hun woning te hebben bij een mogelijk vooroverlijden. Appellant beschouwt dit als een zakelijke regeling, net als het opgemaakte testament. 3.2. De Svb heeft gevraagd om bevestiging van de aangevallen uitspraak. Oordeel van de Raad 4. In geschil is of appellant vanaf 16 januari 2021, de datum van zijn verzoek, als duurzaam gescheiden levend moet worden aangemerkt, als bedoeld in artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW. Wettelijk kader 4.1.1. Op grond van artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW wordt voor de toepassing van de AOW als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is. 4.1.2. Voor gevallen waarin geen sprake is van een ongewilde verbreking van de huwelijkse samenleving legt de Raad het begrip duurzaam gescheiden leven als volgt uit. Gehuwde mensen leven pas duurzaam gescheiden als aan al de volgende voorwaarden is voldaan: a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.