213521 ANW Datum uitspraak: 22 december 2022 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 augustus 2021, 20/2400 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. L.A. Alderlieste, advocaat, hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd nog verschillende stukken ingezonden. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 november
- Namens appellante is mr. Alderlieste verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Stahlde Bruin. OVERWEGINGEN
- Appellante ontving een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW) vanaf november
- Bij besluit van 8 juli 2019 heeft de Svb het recht op deze uitkering beëindigd per september 2019, omdat het jongste kind van appellante in augustus 2019 18 jaar zou worden. De Svb heeft vervolgens het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) verzocht de arbeidsongeschiktheid van appellante te onderzoeken. Op basis van een advies van het Uwv heeft de Svb bij besluit van 13 augustus 2019 geweigerd aan appellante een nabestaandenuitkering toe te kennen na 31 augustus 2019, omdat zij niet arbeidsongeschikt is in de zin van de ANW. In een beslissing van 25 maart 2020 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen deze besluiten ongegrond verklaard.
- In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank mocht de Svb de conclusies van de onderzoeken door het Uwv volgen. Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft op zorgvuldige wijze plaatsgevonden, evenals het arbeidskundig onderzoek. Wat appellante heeft aangevoerd geeft geen aanleiding aan de resultaten hiervan te twijfelen. 3.
- In hoger beroep heeft appellante herhaald dat zij meer beperkt is dan door de Svb is aangenomen. Omdat niet de juiste en volledige beperkingen zijn aangenomen, is de conclusie dat appellante de geduide functies kan vervullen daarmee ook onjuist. 3.
- De Svb verzoekt de Raad de aangevallen uitspraak te bevestigen.
- De Raad oordeelt als volgt. 4.
- In geding is de vraag of appellante op 31 augustus 2019 voldeed aan de voorwaarden van artikel 14, eerste lid, van de ANW om voor een nabestaandenuitkering in aanmerking te komen. Het geschil spitst zich toe op de vraag of appellante op die datum meer dan 45% arbeidsongeschikt was. 4.
- Op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder b, van de ANW heeft de nabestaande die arbeidsongeschikt is recht op een nabestaandenuitkering. Het begrip arbeidsongeschiktheid is nader gedefinieerd in artikel 11 van de ANW. In dit artikel is bepaald dat arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken niet in staat is om met arbeid 55% te verdienen van wat gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen. Onder arbeid wordt verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe die persoon met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Volgens vaste rechtspraak wordt ervan uitgegaan dat de wetgever met deze bepaling kennelijk heeft beoogd aan te sluiten bij de omschrijving van het begrip arbeidsongeschiktheid in de arbeidsongeschiktheidswetten en ligt het dan ook voor de hand bij de toepassing van artikel 11 van de ANW zo mogelijk aansluiting te zoeken bij de regelgeving en de rechtspraak met betrekking tot het begrip arbeidsongeschiktheid in die wetten. 4.
- Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd over haar medische beperkingen is in de kern een herhaling van wat zij in bezwaar en beroep heeft aangevoerd. Er is geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellante afdoende besproken en overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak terecht geoordeeld dat geen aanleiding bestaat voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de door de verzekeringsartsen verrichte onderzoeken en de op grond van die onderzoeken vastgestelde belastbaarheid van appellante. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. 4.
- Naar aanleiding van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd wordt nog het volgende overwogen. Volgens appellante hadden haar klachten geobjectiveerd moeten worden aan de hand van de fibromyalgiescore en had dit moeten leiden tot een gewijzigde functionele mogelijkheden lijst (FML). In reactie hierop heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep aangegeven dat de fibromyalgiescore een klachtenoptelling is en geen medische objectivering, aangezien hieraan geen medisch substraat ten grondslag ligt. Het ervaren van klachten zonder organisch substraat, zoals in het geval van fibromyalgie, geeft geen aanleiding voor meer dan enkele lichte medisch-objectiveerbare beperkingen. Deze zijn al in de FML opgenomen. Er is geen aanleiding om de inzichtelijk en toereikend gemotiveerde conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet te volgen. In hoger beroep heeft appellante geen nadere medische stukken ingediend die aan deze conclusie doen twijfelen. 4.
- Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat de aangevallen uitspraak bevestigd zal worden.
- Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en A. van Gijzen en K.H. Sanders als leden, in tegenwoordigheid van D. Al-Zubaidi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 december
- (getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum (getekend) D. Al-Zubaidi