Datum uitspraak: 23 december 2022 20/4012 en 22/159 ZW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 oktober 2020, 20/763 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. B.M. Voogt, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft op 17 mei 2022 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. Bij brief van 31 mei 2022 heeft mr. Voogt namens appellant het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten. Het Uwv heeft bij brief van 23 juni 2022 op het verzoek om proceskostenveroordeling gereageerd. Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten. OVERWEGINGEN In artikel 8:75a. eerste lid, eerste volzin, van de Awb is bepaald dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep. Namens appellant is het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 17 mei 2022 aan de bezwaren van appellant is tegemoetgekomen. De Raad ziet aanleiding het Uwv te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de aan appellant verleende rechtsbijstand begroot op € 1.082,- in bezwaar (1 punt voor het indienen van het (aanvullend) bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting), € 1.518,- in beroep (1 punt voor het indienen van het (aanvullend) beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting) en € 1.138,50 in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het (aanvullend) hogerberoepschrift en 0.5 punt voor de schriftelijke zienwijze). Voor toekenning van een hogere wegingsfactor dan 1 (gemiddeld) ziet de Raad geen aanleiding. Ook komen de door appellant gemaakte reiskosten van € 26,78 voor vergoeding in aanmerking. In totaal bedraagt de proceskostenvergoeding € 3.765,28. Voor vergoeding van het betaalde griffierecht kan appellant zich rechtstreeks tot het Uwv wenden. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 3.765,28. Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van H. Alajai als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 december 2022. (getekend) F.M. Rijnbeek (getekend) H. Alajai
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.