Datum uitspraak: 17 februari 2022 19/2615 ZW, 19/2617 ZW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak als bedoeld in artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 7 mei 2019, 18/1307 en 18/2792 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. R.A.N.H. Theeuwen-Verkoeijen hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. Bij brief van 5 januari 2022 heeft mr. Theeuwen-Verkoeijen namens appellante het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten. De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 6 januari 2022, waar partijen niet zijn verschenen. OVERWEGINGEN Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108 van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep. Namens appellante is het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv aan appellante met ingang van 1 mei 2017 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen heeft toegekend. Partijen zijn overeengekomen dat de kosten voor verleende rechtsbijstand, begroot op € 3.738,- en de reiskosten tot een bedrag van €11,42, door het Uwv worden vergoed. Het Uwv zal ook het bedrag aan griffierecht van €183,- vergoeden. Appellante heeft tevens verzocht om vergoeding van de te betalen eigen bijdrage aan de rechtsbijstandsverzekeraar. Het Uwv is echter niet bereid om de door appellante verschuldigde eigen bijdragen te vergoeden, omdat het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), daarin niet voorziet. Nu het Uwv niet heeft betwist dat aan appellante is tegemoetgekomen, ziet de Raad aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken zoals partijen zijn overeengekomen. In aanvulling daarop wordt het volgende overwogen. In de bijlage bij het Besluit wordt een limitatieve opsomming gegeven van de proceshandelingen waarvoor een forfaitaire vergoeding kan worden toegewezen. In vergoeding van de te betalen eigen bijdrage aan de rechtsbijstandsverzekeraar, zoals door appellante is verzocht, is daarbij niet voorzien. Deze kosten komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking. De totale kostenvergoeding bedraagt €3.749,42. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep - veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 3.749,42; Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van E.X.R. Yi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2022. (getekend) J.P.M. Zeijen (getekend) E.X.R. Yi
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.