← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2022:431

20 1576 ZW Datum uitspraak: 24 februari 2022 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 24 februari 2020, 18/7137 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. K. Celebi, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. OVERWEGINGEN Het hoger beroep is ingesteld in verband met een gestelde onjuiste veroordeling in de proceskosten door de rechtbank. In reactie hierop heeft het Uwv te kennen gegeven het eens te zijn met appellant. De rechtbank had 1 punt had moeten toekennen voor het bijwonen van de hoorzitting op 17 oktober

  1. De Raad heeft bij brief van 8 juli 2021 de gemachtigde van appellant verzocht kenbaar te maken of in deze omstandigheid aanleiding wordt gezien het hoger beroep in te trekken onder de voorwaarde dat toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hierop en op het per fax verzonden verzoek van 12 oktober 2021 heeft de gemachtigde van appellant niet gereageerd. Bij e-mailbericht van 16 december 2021 is de gemachtigde van appellant nogmaals in de gelegenheid gesteld om te reageren op het verzoek van 8 juli
  2. Ook hiervan heeft hij geen gebruik gemaakt, ook niet na een rappel van 3 januari
  3. De Raad stelt vast dat geen sprake meer is van een geschil tussen partijen. Appellant heeft het hoger beroep, hoewel ruimschoots daartoe in de gelegenheid gesteld, evenmin ingetrokken onder de voorwaarde van toepassing van artikel 8:75a van de Awb. Onder deze omstandigheden rest geen andere uitkomst dan de vaststelling dat het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk is vanwege het daaraan komen te ontvallen van het procesbelang. Voor een vergoeding van de proceskosten die verband houden met het bijwonen van de hoorzitting op 17 oktober 2019 kan appellant zich rechtstreeks wenden tot het Uwv. Voor een veroordeling in de proceskosten met betrekking tot het hoger beroep bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van L.R. Kokhuis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 februari
  4. (getekend) B.J. van de Griend (getekend) L.R. Kokhuis Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.