21 1861 AW-PV Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 9 april 2021, 20/1802 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Universitair Medisch Centrum Utrecht (Raad van Bestuur) Datum uitspraak: 17 februari 2022 PROCESVERLOOP Zitting heeft: J.J.T. van den Corput Griffier: R. van Doorn Namens appellante is verschenen haar advocaat mr. B.J. Lokollo. De Raad van Bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.M. de Koning en S.C. Griffioen. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
- Bij besluit van 16 december 2019 heeft de Raad van Bestuur appellante de disciplinaire maatregel van ontslag opgelegd wegens plichtsverzuim. Bij besluit van 27 maart 2020 (bestreden besluit) heeft de Raad van Bestuur het bezwaar van appellante van 17 februari 2020 tegen het ontslagbesluit niet-ontvankelijk verklaard, omdat dit buiten de bezwaartermijn van zes weken is ingediend en geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
- In hoger beroep heeft appellante betwist dat de bezwaartermijn op 28 januari 2020 was verstreken, omdat het ontslagbesluit niet juist kenbaar is gemaakt. Verder heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. 4.
- De wettelijke termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt zes weken. Deze termijn vangt op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan op de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. In artikel 3:41, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de bekendmaking van besluiten geschiedt door toezending of uitreiking aan de belanghebbende. In geval van toezending van het besluit geldt de terpostbezorging door het bestuursorgaan als het moment van bekendmaking. De dag ná die van de verzending (terpostbezorging) is dus de eerste dag van de bezwaartermijn. 4.
- Het betoog van appellante dat het primaire besluit niet op juiste wijze is bekendgemaakt, omdat zij onvoldoende bereikbaar was via de digitale communicatiekanalen en er geen sprake was van een bestendige communicatiepraktijk treft geen doel. Tussen partijen is niet in geschil dat het primaire besluit (ook) door middel van toezending per (reguliere en aangetekende) post aan appellante bekend is gemaakt, waarmee voldaan is aan het vereiste van art. 3:41, eerste lid, van de Awb. De omstandigheid dat appellante pas bij thuiskomst op 8 januari 2020 kennis heeft genomen van dit besluit, maakt dit niet anders. 4.
- Uitgaande van de verzending van het primaire besluit op 16 december 2019 is de laatste dag van de bezwaartermijn 28 januari
- Het bezwaarschrift van 17 februari 2020 is dan ook buiten de bezwaartermijn ingediend. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de door appellante opgegeven redenen van de termijnoverschrijding geen redenen zijn voor verschoonbaarheid als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb. Van appellante had, toen duidelijk werd dat zij voor een langere periode in het buitenland zou verblijven, mogen worden verwacht dat voorzieningen werden getroffen met betrekking tot de postafhandeling. Nu appellante heeft nagelaten om adequate maatregelen te nemen ter behartiging van haar eigen belangen komt dit volgens vaste rechtspraak van de Raad voor haar rekening. Bovendien had appellante, toen zij op 8 januari 2020 kennis had genomen van het besluit, nog voldoende tijd om binnen de bezwaartermijn een bezwaarschrift te laten indienen. De omstandigheid dat zij ná kennisname van het ontslagbesluit niet meteen actie heeft ondernomen en dat ná inschakeling van hulp van een derde niet direct een pro-forma bezwaarschrift is ingediend, komt voor rekening van appellante. Het bezwaar van appellante is dan ook terecht nietontvankelijk verklaard. 4.
- Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
- Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. Waarvan proces-verbaal. De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer (getekend) R. van Doorn (getekend) J.J.T van den Corput Voor eensluidend afschrift de griffier van de Centrale Raad van Beroep