20 2722 WMO15 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 25 juni 2020, 19/8056 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag (college) Datum uitspraak: 9 maart 2022 PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. R. Kaya, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 december
- Appellante is verschenen, vergezeld door haar echtgenoot [naam echtgenoot] en bijgestaan door mr. Kaya. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. Punter. De zaak is gevoegd behandeld met de zaak 20/1366 WMO
- Na de zitting zijn de zaken weer gesplitst. In elke zaak wordt afzonderlijk uitspraak gedaan. OVERWEGINGEN
- De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. 1.
- Appellante heeft op 2 juli 2018 een aanvraag ingediend op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning
- 1.
- Op 22 mei 2019 heeft appellante het college in gebreke gesteld wegens het uitblijven van een beslissing op haar aanvraag. 1.
- Bij besluit van 4 juni 2019 heeft het college de aanvraag van appellante afgewezen. 1.
- Bij besluit van 6 juni 2019 heeft het college aan appellante te kennen gegeven geen dwangsom verschuldigd te zijn. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is ongegrond verklaard bij beslissing op bezwaar van 6 november 2019 (bestreden besluit). Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat met het besluit van 4 juni 2019 binnen twee weken na de ontvangst van de ingebrekestelling een beslissing op de aanvraag is genomen, waardoor het college geen dwangsom aan appellante verschuldigd is.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
- Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Volgens appellante heeft het college een dwangsom verbeurd, omdat het besluit van 4 juni 2019 niet goed gemotiveerd en onjuist is. Dit blijkt volgens appellante alleen al uit de wijze waarop het college de op 2 juli 2018 gevraagde voorziening alsnog heeft verstrekt bij besluit van 11 oktober
- Om die reden dient het besluit van 4 juni 2019 volgens appellante als niet genomen te worden beschouwd en is het college aan haar een dwangsom verschuldigd.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- De Raad stelt vast dat in dit geding uitsluitend de vraag voorligt of de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat het college aan appellante geen dwangsom verschuldigd is. 4.
- Met het besluit van 4 juni 2019 heeft het college op de aanvraag van 2 juli 2018 beslist. Het besluit van 4 juni 2019 is een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De vraag of dit besluit rechtmatig is, is niet bepalend voor de verschuldigdheid van een dwangsom (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 14 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1360). 4.
- Het besluit van 4 juni 2019 is genomen binnen twee weken na de ontvangst van de ingebrekestelling op 22 mei
- Dit betekent dat de rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat het college, gelet op het bepaalde in artikel 4:17, derde lid, van de Awb, geen dwangsom aan appellante verschuldigd is. 4.
- Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
- Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins, in tegenwoordigheid van D. Al-Zubaidi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 maart
- (getekend) D. Hardonk-Prins (getekend) D. Al-Zubaidi