203662 PW-PV Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 18 september 2020, 20/1048 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Breda (college) Datum uitspraak: 8 maart 2022 Zitting heeft: P.W. van Straalen Griffier: B. van Dijk Partijen zijn niet ter zitting verschenen. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep: bevestigt de aangevallen uitspraak; wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen. Het gaat in deze zaak om de niet-ontvankelijk verklaring van het bezwaar tegen het besluit van 27 mei 2019 tot intrekking van de bijstand van appellant per 1 mei 2019 en tot terugvordering van kosten van bijstand tot een bedrag van € 13.619,
- Deze intrekking en terugvordering houden verband met een door appellant gedreven onderneming. Het bezwaar is te laat ingediend en het college heeft het standpunt ingenomen dat sprake is van een niet-verschoonbare termijnoverschrijding. Niet in geschil is dat de bezwaartermijn eindigde op 8 juli
- Het college heeft het bezwaar van de boekhouder van appellant ontvangen op 29 juli
- Het college heeft op die datum een brief ontvangen van de boekhouder van appellant, waarin hij meedeelt dat hij nog geen ontvangstbevestiging heeft ontvangen naar aanleiding van zijn als bijlage meegestuurde brief van 13 juni 2019, waarin bezwaar wordt gemaakt tegen het besluit van 27 mei
- De boekhouder heeft het bezwaarschrift van 13 juni 2019 niet aangetekend verzonden. Het hoger beroep komt er op neer dat appellant meent dat de omstandigheid dat het college het bezwaarschrift van 13 juni 2019 niet tijdig heeft ontvangen niet voor rekening en risico van appellant moet komen. Deze grond slaagt niet. Het is vaste rechtspraak dat het op de weg van de indiener van een bezwaarschrift ligt om de tijdige verzending aannemelijk te maken. Zie de uitspraak van 25 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:
- Er is geen aanleiding om daarmee in deze zaak anders om te gaan. De enkele stelling dat de boekhouder het bezwaarschrift tijdig ter post heeft bezorgd is onvoldoende om de verzending aannemelijk te maken. Wat appellant stelt over de ontvangst van het bezwaarschrift en wat er daarbij mogelijk mis kan zijn gegaan aan de zijde van het college behoeft gelet hierop geen bespreking. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat het bezwaarschrift van 13 juni 2019 tijdig is verzonden. Het college was dan ook bevoegd het buiten de termijn ontvangen bezwaarschrift niet-ontvankelijk te verklaren. Het door appellant gestelde financiële belang bij de terugvordering maakt niet dat het college niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van die bevoegdheid. De gronden in hoger beroep slagen niet. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd. Het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade zal gelet daarop worden afgewezen. Voor een kostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Waarvan proces-verbaal. De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer (getekend) B. van Dijk (getekend) P.W. van Straalen