Datum uitspraak: 10 maart 2022 20/3367 + 21/83 WIA Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 25 augustus 2020, 19/1303 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. W.A. Timmer, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft op 11 juni 2021, 2 augustus 2021 en 17 augustus 2021 beslissingen over nabetaling van uitkering van appellante genomen. Op 9 september 2021, aangevuld met brieven van 10 september 2021, heeft mr. Timmer namens appellante het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten. Het Uwv heeft in een brief van 15 oktober 2021 medegedeeld zich niet te verzetten tegen vergoeding van de proceskosten. Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten. OVERWEGINGEN In artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb is bepaald dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep. Namens appellante is het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de besluiten van 11 juni 2021, 2 augustus 2021 en 17 augustus 2021 volledig aan appellante is tegemoetgekomen. Aangezien het Uwv de gemaakte kosten in de bezwaarfase in de beslissing op bezwaar van 1 december 2020 heeft vergoed, moet de Raad alleen nog oordelen over de in hoger beroep gemaakte kosten. De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de verleende rechtsbijstand begroot op in hoger beroep € 1.518,- (2 punten voor het indienen van de (aanvullende) hogerberoepschriften, waaronder het rechtstreeks hoger beroep tegen het nieuwe beslissing op bezwaar van 1 december 2020). In totaal bedraagt de vergoeding voor de aan appellante verleende rechtsbijstand dus € 1.518,-. Met betrekking tot de vordering van de gemaakte kosten van € 99,24 voor het opvragen van medische informatie is de Raad van oordeel dat deze vordering eveneens voor vergoeding in aanmerking komt. Voor vergoeding van het betaalde griffierecht in beroep en hoger beroep kan appellante zich rechtstreeks tot het Uwv wenden. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 1.617,24. Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van H. Alajai als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2022. (getekend) F.M. Rijnbeek (getekend) H. Alajai GdJ
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.