Datum uitspraak: 17 maart 2022 18/2141 WIA, 19/4550 WIA Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a, 8:88, 8:91 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 maart 2018, 16/6754 (aangevallen uitspraak 1) en de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 oktober 2019, 19/561 (aangevallen uitspraak 2) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. J. de Jong hoger beroepen ingesteld. Het Uwv heeft 24 februari 2021 gewijzigde beslissingen op bezwaar genomen. Het Uwv heeft op 4 juni 2021 de beslissingen op bezwaar van 24 februari 2021 gewijzigd. Bij brieven van 23 juni 2021 en 14 juli 2021 heeft mr. De Jong namens appellante de hoger beroepen ingetrokken en verzocht om het Uwv te veroordelen in de proceskosten. Het Uwv heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen. Bij brief van 7 december 2021 heeft mr. De Jong namens appellante verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Naar aanleiding van het verzoek van appellante om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn door de bestuursrechter heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt. Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten. OVERWEGINGEN Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Op grond van artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep. Op grond van artikel 8:88, aanhef en onder a, van de Awb is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van de schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit. Namens appellante zijn de hoger beroepen ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissingen op bezwaar van 4 juni 2021 volledig aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen. Omdat hiermee aan appellante is tegemoetgekomen, ziet de Raad aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het bezwaar (in 19/4550), de beroepen en de hoger beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten in zaak 18/2141 worden, op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), begroot op € 1.897,50 in beroep (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het indienen van reactie) en € 2.277,- in hoger beroep (1 punt voor het hogerberoepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het indienen van een zienswijze, 0,5 punt voor een reactie) voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 4.174,50. De reiskosten die appellante heeft moeten maken voor het bijwonen van de zittingen bij de rechtbank, de Raad en voor het ondergaan van medisch onderzoek komen tot een bedrag van € 52,60 voor vergoeding in aanmerking. De kosten in zaak 19/4550 worden, op grond van het Bpb, begroot op € 1.082,- in bezwaar (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, waarde 1 punt = € 541,-), € 1.518,- in beroep (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde 1 punt = 759,-) en € 759,- in hoger beroep (1 punt voor het hogerberoepschrift) voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 3.359,-. Voor het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM geldt het volgende. De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (zie de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder heeft de Raad in die uitspraak overwogen dat in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast is van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden. Anders dan de Raad in het verleden heeft geoordeeld eindigt de redelijke termijn op het moment van het intrekken van het hoger beroep
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.