← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2022:719

212763 WIA Datum uitspraak: 24 maart 2022 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 29 juni 2021, 20/1624 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. R.A. Knopper, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft door middel van videobellen plaatsgevonden op 21 februari

  1. Namens appellant is mr. Knopper verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door P.J.L.H. Coenen. OVERWEGINGEN 1.
  2. Appellant is laatstelijk via een uitzendbureau werkzaam geweest als vrachtwagenchauffeur voor 40,96 uur per week. Op 24 mei 2016 heeft hij zich ziek gemeld met lichamelijke klachten (whiplash) als gevolg van een verkeersongeval. Nadien heeft appellant ook psychische klachten gemeld. Bij besluit van 25 april 2018 heeft het Uwv aan de ex-werkgever van appellant een ziekengeldsanctie opgelegd tot en met 21 mei
  3. 1.
  4. Op 25 april 2019 heeft appellant in het kader van zijn aanvraag op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. Deze arts heeft vastgesteld dat appellant belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die zijn weergegeven in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 7 mei
  5. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor het laatstelijk verrichte werk. Hij heeft vervolgens vier functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 25,18%. Bij besluit van 22 mei 2019 heeft het Uwv geweigerd aan appellant met ingang van 21 mei 2019 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 6 mei 2020 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
  6. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Samengevat, heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek door het Uwv zorgvuldig is geweest en dat de rapporten van de verzekeringsartsen geen tegenstrijdigheden bevatten. De rechtbank heeft in wat appellant in beroep naar voren heeft gebracht geen aanleiding gezien om aan de juistheid van de medische beoordeling door het Uwv te twijfelen. Daarbij heeft de rechtbank het van belang geacht dat appellant in beroep geen (nieuwe) medische stukken heeft overgelegd. In zijn rapport van 4 mei 2020 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op het rapport van HSK van 26 juni 2019 gereageerd door te stellen dat volgens HSK sprake is van een aanpassingsstoornis en dat deze stoornis geldt als zeer lichte psychische problematiek. Dat HSK de problematiek als ernstig heeft ingeschat, berust naar de mening van de verzekeringsarts bezwaar en beroep uitsluitend op de door appellant ervaren klachten en beperkingen. Dat de complexiteit van de problematiek door HSK als hoog is ingeschat heeft volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep te maken met de tegelijk spelende persoonlijkheidskenmerken en de aanhoudende stressfactoren uit de omgeving van appellant. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep laat dit onverlet dat op stoornisniveau hoogstens lichte problematiek bestaat. Dat sprake is van borderline en appellant hiervan psychische klachten ervaart, moet naar de mening van de verzekeringsarts bezwaar en beroep worden bestreden, omdat de uitkomsten van de vragenlijsten niet geheel valide zijn en anderzijds de diagnose borderline niet is gesteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is van mening dat er voldoende rekening is gehouden met de psychische gesteldheid van appellant. De rechtbank kan de verzekeringsarts bezwaar en beroep hierin volgen. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de verzekeringsartsen van het Uwv de belastbaarheid van appellant juist ingeschat. Wat betreft de arbeidskundige beoordeling heeft de rechtbank overwogen dat de arbeidsdeskundige (bezwaar en beroep) afdoende heeft gemotiveerd waarom de geselecteerde functies voor appellant geschikt zijn. 3.
  7. In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt gehandhaafd dat er naast zijn fysieke klachten ook sprake was van psychische klachten. Hoewel de verzekeringsarts in bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat er sprake is van deze klachten, heeft deze de beperkingen onderschat zodat de geselecteerde functies niet geschikt zijn voor hem. 3.
  8. Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
  9. De Raad oordeelt als volgt. 4.
  10. Van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. 4.
  11. In geschil is of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 21 mei 2019 heeft vastgesteld op minder dan 35% en terecht heeft geweigerd aan appellant een WIA-uitkering toe te kennen. 4.
  12. Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is in wezen een herhaling van wat hij in beroep tegen de medische onderbouwing van het bestreden besluit naar voren heeft gebracht en vormt geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellant afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat deze gronden niet slagen. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen, zoals weergegeven in rechtsoverweging twaalf tot en met veertien van de aangevallen uitspraak, worden geheel onderschreven. 4.
  13. De rechtbank wordt ook gevolgd in haar oordeel dat het Uwv met de rapporten van de arbeidsdeskundigen voldoende heeft gemotiveerd dat aan de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid ten grondslag gelegde functies voor appellant geschikt zijn. 4.
  14. Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
  15. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van E.X.R. Yi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 maart
  16. (getekend) E.W. Akkerman (getekend) E.X.R. Yi

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.