Datum uitspraak: 24 maart 2022 21/2523 BPW-V Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het verzet als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het geding tussen Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb) PROCESVERLOOP De Raad heeft het beroep tegen het besluit van de Svb van 16 juni 2021, kenmerk BZO11441747, op 15 oktober 2021 niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat de Raad het beroep niet inhoudelijk in behandeling kan nemen. De Raad heeft dit gedaan zonder een zitting te houden, met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht. Appellante is het niet eens met de uitspraak van de Raad van 15 oktober 2021 en heeft verzet gedaan. Het verzet is behandeld op de zitting van 10 februari
- Partijen zijn niet verschenen. OVERWEGINGEN De Raad heeft het beroep van appellante in de uitspraak van 15 oktober 2021 niet-ontvankelijk verklaard omdat zij het griffierecht niet heeft betaald. In verzet stelt appellante, voor zover hier van belang, dat zij gezien haar inkomen niet in staat is om het griffierecht te betalen. De Raad heeft appellante op 16 juli 2021 een nota voor voldoening van het griffierecht toegezonden. Hierin staat vermeld dat appellante voor het einde van de op deze nota/betalingsherinnering gestelde betalingstermijn een verzoek om vrijstelling van betaling van het griffierecht kan indienen, als zij meent het griffierecht niet te kunnen betalen. Op 16 augustus 2021 is per aangetekende post aan appellante een betalingsherinnering gestuurd. Appellante is er hierbij op gewezen dat het verschuldigde griffierecht van € 49,- binnen vier weken na de datum van deze brief moet zijn bijgeschreven op de in die brief genoemde bankrekening of contant moet zijn betaald op het bezoekadres van de Raad. In de betalingsherinnering is vermeld dat appellante er rekening mee moet houden dat het beroep niet inhoudelijk zal worden behandeld als zij het griffierecht niet tijdig betaalt. De Raad stelt vast dat appellante in verzet geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan geoordeeld moet worden dat zij niet in verzuim is geweest. Appellante heeft binnen de termijn waarbinnen het griffierecht moest worden voldaan, geen beroep op betalingsonmacht gedaan. Zij heeft pas in verzet verklaard dat zij het griffierecht niet kan betalen. Het niet betalen van het griffierecht komt daarom voor rekening en risico van appellante. Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard. Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door J.C. Boeree, in tegenwoordigheid van E.X.R. Yi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 maart
- (getekend) J.C. Boeree (getekend) E.X.R. Yi