19682 PW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 20 december 2018, 18/208 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Almere (college) Datum uitspraak: 11 januari 2022 PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. P. Bosma, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november
- Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. J.B. de Jong, kantoorgenoot van mr. Bosma. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door W.M. Haitjema-Oegema. OVERWEGINGEN
- De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
- Appellant ontving sinds 22 november 2014 bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet naar de norm voor een alleenstaande. 1.
- Naar aanleiding van een melding dat op het adres van appellant zeven personen geregistreerd staan, is een sociaal rechercheur van Team Handhaving van de Afdeling Werk en Inkomen van de gemeente Almere (sociaal rechercheur) een onderzoek gestart naar het recht op bijstand van appellant. In het kader van dat onderzoek heeft appellant bankafschriften verstrekt. Op die bankafschriften zijn regelmatig pinbetalingen bij gokinstellingen zichtbaar. 1.
- De sociaal rechercheur heeft appellant tijdens een gesprek op 1 juni 2017 geconfronteerd met de op de bankafschriften zichtbare pinbetalingen bij gokinstellingen. Appellant heeft daarop volgens de opgestelde “verklaring betrokkene” onder meer verklaard dat hij sinds vorig jaar een gokprobleem heeft, dat hij wel eens € 20,- of € 40,- wint, maar daarna € 200,- verliest, en dat hij geen administratie van het gokken heeft bijgehouden. De ten overstaan van de sociaal rechercheur afgelegde verklaring is op een tablet vastgelegd en per pagina door appellant ondertekend. 1.
- Bij de stukken bevindt zich ook een “verklaring betrokkene” van 2 juni
- Ook deze verklaring is op een tablet vastgelegd en door appellant per pagina ondertekend. Volgens deze verklaring heeft appellant, geconfronteerd met opnames in het casino, onder meer het volgende verklaard. Hij neemt geld op voor een vriend, maar gokt ook. Appellant heeft de aankomende donderdag een afspraak met zijn huisarts om over het gokken te praten. Het gokken is begonnen na zijn echtscheiding. Appellant zit sindsdien in het casino. Hij ontmoet daar mensen.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
- Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, komt er – gelet op het verhandelde ter zitting van de Raad – op neer dat appellant niet kan worden gehouden aan de verklaringen van 1 en 2 juni
- Appellant voert aan dat hij op 2 juni 2017 geen verklaring heeft afgelegd. De handtekeningen onder de verklaring van 2 juni 2017 zijn wel van appellant, maar appellant ontkent dat hij die dag een spreekkamergesprek heeft gehad met de sociaal rechercheur. Op 1 juni 2017 heeft hij wel een gesprek gehad met de sociaal rechercheur, maar hij moest op een blanco scherm zijn handtekening zetten. De tekst van de verklaring is niet aan hem voorgelezen en was ook niet zichtbaar toen hij zijn handtekening zette. 4.
- Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 26 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2512) mag in het algemeen van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en ondertekende verklaring worden uitgegaan. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat zich zodanige bijzondere omstandigheden voordoen dat van dit algemene uitgangspunt moet worden afgeweken. De niet onderbouwde stellingen dat appellant op 2 juni 2017 geen spreekkamergesprek heeft gehad en hij de verklaring op 1 juni 2017 blind heeft getekend omdat anders zijn uitkering zou worden ingetrokken, zijn daartoe onvoldoende. 4.
- Uit 4.2 volgt dat appellant kan worden gehouden aan de verklaringen van 1 en 2 juni
- Niet in geschil is dat het hoger beroep, daarvan uitgaande, niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.
- Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen als voorzitter en W.F. Claessens en T.A. Willems-Dijkstra als leden, in tegenwoordigheid van Y.S.S. Fatni als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 januari
- (getekend) P.W. van Straalen (getekend) Y.S.S. Fatni