20179 WW, 21/4559 WW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 6 december 2019, 19/892 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] B.V. te [vestigingsplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) [betrokkene] wonende te [woonplaats] (betrokkene) Datum uitspraak: 31 maart 2022 PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. B. Vaandrager, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en op 18 december 2019 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Namens betrokkene heeft mr. J.C.E. Siebrenga-Moggré, advocaat, een schriftelijke uiteenzetting ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2022. Namens appellante zijn verschenen mr. Vaandrager en mr. S.T. Kraijenbrink, bedrijfsjurist bij appellante. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Smit. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Siebrenga-Moggré. OVERWEGINGEN 1.1. Betrokkene is op 1 juni 2015 in dienst getreden bij appellante en werkzaam geweest als medewerker backoffice voor 40 uur per week. Op 25 juni 2018 heeft betrokkene in de bedrijfskantine van appellante een beker met water in het gezicht en over de kleding van een collega, [Naam] , gegooid en haar uitgescholden. Bij brief van 26 juni 2018 heeft appellante betrokkene op non-actief gesteld hangende een onderzoek naar de gang van zaken. In het kader van dit onderzoek is betrokkene door appellante gehoord. Daarnaast heeft appellante ook enkele getuigen gehoord en onderzoek verricht naar eerdere gedragingen van betrokkene in 2017. Tijdens een gesprek op 29 juni 2018 heeft appellante betrokkene op staande voet ontslagen. Bij brief van dezelfde datum heeft appellante dit ontslag op staande voet bevestigd. Betrokkene heeft dit ontslag aangevochten bij de kantonrechter. 1.2.1. Bij beschikking van 23 oktober 2018 heeft de kantonrechter met betrekking tot het ontslag op staande voet het volgende overwogen: “4.8. De kantonrechter oordeelt dat [betrokkene] verweten kan en moet worden dat hij water in het gezicht van [Naam] heeft gegooid. [betrokkene] heeft inmiddels zelf ook door dat hij dit niet had moeten doen. Voor een ontslag op staande voet, de meest beschadigende vorm van ontslag, is deze gedraging, hoe ongepast en onbehoorlijk ook, evenwel niet voldoende. Onder de gegeven omstandigheden levert de gewraakte actie van [betrokkene] geen dringende reden op voor het ontslag op staande voet. [betrokkene] was weliswaar eerder gewaarschuwd door zijn leidinggevende, maar niet is komen vast te staan dat [betrokkene] daarna onverminderd is doorgegaan met grensoverschrijdend gedrag jegens [Naam] . Er is nadien geen nieuwe klacht ingediend door [Naam] . Ook [appellante] heeft geen reden gezien om vinger aan de pols te houden en regelmatig gesprekken te voeren met [betrokkene] omtrent de stand van zaken. [betrokkene] is niet duidelijk en ondubbelzinnig kenbaar gemaakt dat bij dergelijk repeterend gedrag ontslag op staande voet zou (kunnen) volgen. Het gooien van een glas water kan dan ook niet, ook niet in samenhang met de eerdere gedragingen in 2017, worden aangemerkt als grondslag voor een zo verstrekkende maatregel als ontslag op staande voet. Dit betekent dat de opzegging van 29 juni 2018 moet worden vernietigd en dat [betrokkene] aanspraak kan maken op doorbetaling van zijn loon tot aan het rechtsgeldig einde van de arbeidsovereenkomst.’’ 1.2.2. De kantonrechter heeft in zijn beschikking wel aanleiding gezien voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Daartoe heeft de kantonrechter het volgende overwogen: “4.9. Het incident van 25 juni 2018 mag dan onvoldoende grondslag zijn voor een diffamerend ontslag op staande voet, het incident levert in samenhang met de eerdere gebeurtenissen in 2017 wel een voldoende grond op voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Het directe gevolg van dit oordeel is dat [appellante] [betrokkene] niet meer behoeft toe te laten tot het werk en dat diens daarop gerichte vordering moet worden afgewezen. De ontbindingsgrond is erin gelegen dat de arbeidsverhouding tussen [betrokkene] en zijn werkgeefster door het incident, bezien in het licht van de eerdere gebeurtenissen, ernstig verstoord is geraakt. 4.9.1. [betrokkene] heeft namelijk reeds eerder, in 2017, gedurende enige tijd grensoverschrijdend gedrag vertoond jegens [Naam] , hetgeen er – kort gezegd – op neerkwam dat hij zich steeds zonder noodzaak daartoe in haar buurt begaf, haar (onophoudelijk) aanstaarde en/of begluurde, haar achtervolgde en toenadering zocht. De gedragingen zijn omstreeks september 2015 begonnen, nadat [Naam] niet was ingegaan op het voorstel van [betrokkene] om samen en niet werkgerelateerd koffie te gaan drinken. De gedragingen hebben bij [Naam] uiteindelijk geleid tot gevoelens van onveiligheid op de werkvloer en zijn voor haar aanleiding geweest om de afdeling Ethics in te schakelen en om een klacht in te dienen over het gedrag van [betrokkene] . [betrokkene] is door zijn leidinggevende aangesproken op zijn gedragingen en hij heeft toen verschillende gedragingen erkend. Zo heeft hij erkend [Naam] wel eens te hebben opgewacht in de auto en hij heeft eens ongevraagd een bestelling in een horecagelegenheid voor haar afgerekend toen verschillende collega’s samen uit eten waren. De overige gebeurtenissen zijn door [betrokkene] afgedaan als ‘toevalligheden’. [betrokkene] heeft in 2017 reeds erkend belangstelling te hebben voor [Naam] . Ook uit het verzoekschrift en uit de behandeling ter terechtzitting is gebleken dat [betrokkene] gevoelens koesterde voor [Naam] . Vaststaat dat die belangstelling niet wederzijds was. 4.9.2. De bovenmatige aandacht van [betrokkene] voor een collega die bij herhaling heeft aangegeven daar niet van gediend te zijn, heeft zijn weerslag op de werkomgeving. Dit opdringerige gedrag verstoort de focus op de werkvloer. Van [appellante] als werkgever mag worden gevraagd voor een veilig werkklimaat te zorgen en op te treden tegen verstoringen daarvan. In deze casus heeft zij het recht de beëindiging van de arbeidsovereenkomst met [betrokkene] als veroorzaker van onrust en onveiligheid na te streven. Als hoger overwogen betekent dat niet dat het vrijstaat daartoe elke ontslagroute te gebruiken. 4.10. De kantonrechter acht de verstoring van de arbeidsverhouding duurzaam en onherstelbaar. (…)”. 1.2.3. De kantonrechter heeft verder geoordeeld dat betrokkene geen aanspraak heeft op betaling van een transitievergoeding op grond van artikel 7:673, zevende lid, aanhef en onder c, van het Burgerlijk Wetboek (BW), omdat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van betrokkene en dat [appellante] op grond van artikel 7:671b, achtste lid, onder c, van het BW geen billijke vergoeding verschuldigd is nu geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van [appellante] . Omdat betrokkene ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, heeft de kantonrechter, met inachtneming van artikel 7:671b, achtste lid, aanhef en onder b, van het BW, de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang ontbonden. 1.3. Op 26 oktober 2018 heeft betrokkene bij het Uwv een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Bij besluit van 19 november 2018 heeft het Uwv betrokkene met ingang van 24 oktober 2018 een WW-uitkering toegekend. Daarbij is vermeld dat, als er niets wijzigt in zijn situatie, betrokkene recht heeft op een WW-uitkering tot en met 23 oktober 2020. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. 1.4. Bij beslissing op bezwaar van 1 april 2019 (bestreden besluit I) heeft het Uwv het bezwaar van appellante gegrond verklaard en het besluit van 19 november 2018 herroepen. De WW-uitkering is daarbij blijvend geheel geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid omdat sprake is van een dringende reden voor ontslag en betrokkene ter zake een verwijt kan worden gemaakt. Er is niet gebleken dat het niet naleven van de verplichting om werkloosheid te voorkomen betrokkene niet in overwegende mate valt te verwijten. Met toepassing van artikel 23 van de WW heeft het Uwv de blijvend gehele weigering van de WW-uitkering met ingang van 2 april 2019, de dag na het bestreden besluit, geëffectueerd. 2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat het Uwv binnen zes weken na de uitspraak een nieuw besluit op bezwaar neemt. De rechtbank heeft ook bepalingen gegeven over de vergoeding van proceskosten en het betaalde griffierecht. 2.1. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar de uitspraken van de Raad van 7 november 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:3467 en ECLI:NL:CRVB:2018:3469) voorop gesteld dat bij de toepassing van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW een dringende reden in de zin van het civiele arbeidsrecht is vereist. Volgens de rechtbank volgt uit deze rechtspraak dat voortvarendheid van de werkgever daarbij niet (meer) is vereist. De rechtbank heeft tevens overwogen dat het bestuursorgaan en (in beroep) de bestuursrechter een zelfstandige beoordeling van de feiten moeten maken. Daarbij komt aan een eventueel oordeel van de kantonrechter betekenis toe. 2.2. De rechtbank, als bestuursrechter, heeft geen redenen gezien om aan het grondig gemotiveerde oordeel van de op dit gebied bij uitstek deskundige kantonrechter voorbij te gaan. Hieruit volgt dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven, nu geen sprake is van verwijtbare werkloosheid waaraan een dringende reden in de zin van artikel 7:678 van het BW ten grondslag ligt. 3.1. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat er in dit geval aanleiding was om af te wijken van het oordeel van de kantonrechter over de aanwezigheid van een arbeidsrechtelijke dringende reden. Daarvoor heeft appellante aangevoerd dat diens oordeel, dat appellante met betrekking tot betrokkene onvoldoende 'vinger aan de pols’ zou hebben gehouden in de periode tussen de eerdere melding en het voorval dat voor haar reden voor ontslag op staande voet opleverde, feitelijk onjuist is en een miskenning vormt van de feiten zoals genoegzaam door appellante is aangetoond. Appellante heeft daarbij verwezen naar een logboek van de leidinggevende van betrokkene en verklaard dat de kantonrechter niet de beschikking had over dit logboek. Verder heeft appellante erop gewezen dat betrokkene zich ook na het ontslag op staande voet zeer onbehoorlijk en intimiderend jegens [Naam] is blijven gedragen, door haar lastig te blijven vallen. Daarbij is verwezen naar een e-mail van betrokkene aan de afdeling HR van appellante van 23 juli 2018 en een e-mail van betrokkene naar [Naam] van 9 augustus 2018. Ten slotte heeft appellante benadrukt dat de kantonrechter weliswaar geen arbeidsrechtelijke dringende reden voor het ontslag heeft aangenomen, maar wel de arbeidsovereenkomst tussen appellante en betrokkene met onmiddellijke ingang heeft ontbonden en betrokkene geen transitievergoeding heeft toegekend, omdat sprake was van ernstig verwijtbaar handelen aan de kant van betrokkene. 3.2. Het Uwv heeft berust in de aangevallen uitspraak en ter uitvoering daarvan op 18 december 2019 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen (bestreden besluit II), waarbij het bezwaar van appellante tegen het besluit van 19 november 2018 alsnog ongegrond is verklaard en de WW-uitkering van betrokkene met ingang van 2 april 2019 is voortgezet. 3.3. Betrokkene heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. Bestreden besluit II wordt, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), van rechtswege mede in de beoordeling betrokken. 4.2. Voor een overzicht van de voor dit geding relevante wettelijke bepalingen wordt verwezen naar rechtsoverweging 5 van de aangevallen uitspraak. 4.3. In dit geding gaat het om de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het Uwv bij bestreden besluit I zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat betrokkene verwijtbaar werkloos is geworden in de zin van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW, omdat aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt en betrokkene ter zake een verwijt kan worden gemaakt. 4.4. In de uitspraak van 7 november 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:3469) heeft de Raad geoordeeld dat voor de vraag of er sprake is van verwijtbare werkloosheid, gelet op de tekst en de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW een materiële beoordeling plaats dient te vinden van de vraag of aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt. Daarbij is artikel 7:678 van het BW de maatstaf en moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Tot de elementen die moeten worden gewogen, behoren naast de aard en de ernst van de gedraging(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.