203436 PW Datum uitspraak: 12 april 2022 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 26 augustus 2020, 20/1182 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het dagelijks bestuur van het Intergemeentelijke Sociale Dienst Bollenstreek (dagelijks bestuur) PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld en een verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade ingediend. Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend. Bij brief van 29 juli 2021 heeft mr. J. Sprakel zich als gemachtigde van appellant gesteld. Op 6 september 2021 heeft een regiezitting plaatsgevonden. Namens appellant is verschenen mr. Sprakel. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.F. Rosenbaum en mr. M.A. Haci. Het dagelijks bestuur heeft nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2021. Namens appellant is verschenen mr. Sprakel. Het dagelijks bestuur heeft zich - via videobellen - laten vertegenwoordigen door mr. Rosenbaum en mr. Haci. OVERWEGINGEN 1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.1. Appellant heeft op 24 september 2019 bijzondere bijstand aangevraagd op grond van de Participatiewet voor de kosten van de eigen bijdrage voor rechtsbijstand (de aanvraag). Die kosten houden verband met een civiele procedure. 1.2. Bij brief van 26 november 2019 heeft appellant het dagelijks bestuur in gebreke gesteld vanwege het niet beslissen op de aanvraag. 1.3. Appellant heeft op 17 januari 2020 beroep ingesteld bij de rechtbank wegens het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag. 1.4. Bij besluit van 11 mei 2020 heeft het dagelijks bestuur de aanvraag van appellant afgewezen. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dat besluit. Tijdens de zitting van de rechtbank op 6 juli 2020 heeft het dagelijks bestuur meegedeeld op dat bezwaar te zullen beslissen. Het besluit van 11 mei 2020 is, na bespreking met partijen, niet meegenomen in de beroepsprocedure bij de rechtbank. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover van belang, het beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen. Nu het dagelijks bestuur alsnog een besluit heeft genomen op appellants aanvraag van 24 september 2019 is het (proces)belang van appellant bij een beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag komen te ontvallen. Appellant heeft namelijk ter zitting op 6 juli 2020 te kennen gegeven dat het doel van zijn beroep is alsnog de gevraagde bijzondere bijstand te krijgen. Dat is niet een doel dat met een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit bereikt kan worden, als al een beslissing op de aanvraag is genomen. Ten slotte heeft de rechtbank overwogen dat uit artikel 4:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voortvloeit dat het dagelijks bestuur van rechtswege de verschuldigdheid van een dwangsom bij beschikking had moeten vaststellen na ontvangst van de ingebrekestelling door appellant. Dat heeft het dagelijks bestuur niet gedaan. Appellant kan door de niet-ontvankelijkheidsverklaring van zijn beroep geen oordeel krijgen over de vraag of het dagelijks bestuur een dwangsom heeft verbeurd. 3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en het volgende tegen die uitspraak aangevoerd. De rechtbank is er ten onrechte aan voorbij gegaan dat de inzet van de procedure was het niet (tijdig) nemen van een beslissing op aanvraag. Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijk gesteld en staat tegen het niet tijdig beslissen beroep bij de rechtbank open. Appellant heeft beroep ingesteld, nadat hij het dagelijks bestuur schriftelijk in gebreke heeft gesteld vanwege het verstrijken van de wettelijke beslistermijn. Dat was een geldige ingebrekestelling. Appellant heeft pas op 11 mei 2020, dus na 33 weken, de beslissing op zijn aanvraag ontvangen. Deze beslissing is genomen 25 weken na de ingebrekestelling en 16 weken na het instellen van beroep. Daarom had de rechtbank het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond moeten verklaren. Appellant had namelijk nog een belang bij een inhoudelijke beoordeling van zijn nadere gronden van beroep, te weten zijn beroep dat sprake is van onbehoorlijk bestuur. Verder had de rechtbank de verschuldigdheid en hoogte van de verbeurde dwangsom moeten vaststellen. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank in ieder geval niet gesteld dat het dagelijks bestuur de verschuldigdheid van de dwangsommen niet (meer) bij beschikking hoeft vast te stellen; dat zal het dagelijks bestuur op grond van artikel 4:18 van de Awb dus alsnog moeten doen. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. In artikel 6:2, aanhef en onder b van de Awb is geregeld dat voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit wordt gelijkgesteld het niet tijdig nemen van een besluit. Op grond van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb kan het beroepschrift worden ingediend zodra
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.