20/3839 PW, 20/3840 PW, 20/3841 PW, 20/3842 PW, 20/3843 PW, 20/3844 PW, 20/3845 PW, 20/3846 PW, 20/3847 PW, 20/3848 PW, 21/342 PW, 21/343 PW, 21/344 PW, 21/345 PW, 21/346 PW, 21/347 PW, 21/348 PW, 21/349 PW, 21/350 PW, 21/351 PW Datum uitspraak: 12 april 2022 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 30 september 2020, 20/3167, 20/3169, 20/3196, 20/3205, 20/3343, 20/3162, 20/3351, 20/3188, 20/3159, 20/3153 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Bollenstreek (dagelijks bestuur) PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld. Appellant heeft nadere stukken ingediend. Bij brief van 29 juli 2021 heeft mr. J. Sprakel zich als gemachtigde van appellant gesteld. Op 6 september 2021 heeft een regiezitting plaatsgevonden. Namens appellant is verschenen mr. Sprakel. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.F. Rosenbaum en mr. M.A. Haci. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2021. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Sprakel. Het dagelijks bestuur is - via videobellen - vertegenwoordigd door mr. Rosenbaum en mr. Haci. OVERWEGINGEN 1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 20/3839 PW (kenmerk rechtbank 20/3167) 1.1. Bij brief van 27 januari 2020 heeft appellant het dagelijks bestuur in gebreke gesteld wegens het uitblijven van een beslissing op zijn aanvraag van 22 november 2019 om bijzondere bijstand voor reiskosten in verband met een zitting bij de rechtbank. Bij besluit van 5 februari 2020 heeft het dagelijks bestuur meegedeeld dat de aanvraag niet in behandeling wordt genomen. Op 27 februari 2020 heeft appellant beroep ingesteld bij de rechtbank wegens het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag. 20/3840 PW (kenmerk rechtbank 20/3169) 1.2. Bij brief van 27 januari 2020 heeft appellant het dagelijks bestuur in gebreke gesteld wegens het uitblijven van een beslissing op zijn verzoek van 22 november 2019 om herziening van het besluit van 2 april 2019. In dat besluit heeft het dagelijks bestuur een aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van griffierecht afgewezen. Bij besluit van 5 februari 2020 heeft het dagelijks bestuur meegedeeld dat het verzoek niet in behandeling wordt genomen. Op 27 februari 2020 heeft appellant beroep ingesteld bij de rechtbank wegens het niet tijdig beslissen op zijn herzieningsverzoek. 20/3841 PW (kenmerk rechtbank 20/3196) 1.3. Bij brief van 23 januari 2020 heeft appellant het dagelijks bestuur in gebreke gesteld wegens het uitblijven van een beslissing op zijn aanvraag van 19 november 2019 om bijzondere bijstand voor de kosten van griffierecht. Bij besluit van 5 februari 2020 heeft het dagelijks bestuur meegedeeld dat de aanvraag niet in behandeling wordt genomen. Op 26 februari 2020 heeft appellant beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag. 20/3842 PW (kenmerk rechtbank 20/3205) 1.4. Bij brief van 23 januari 2020 heeft appellant het dagelijks bestuur in gebreke gesteld wegens het uitblijven van een beslissing op zijn aanvraag van 19 november 2019 om bijzondere bijstand voor de kosten van griffierecht. Bij besluit van 5 februari 2020 heeft het dagelijks bestuur meegedeeld dat de aanvraag niet in behandeling wordt genomen. Op 26 februari 2020 heeft appellant beroep ingesteld bij de rechtbank wegens het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag. 20/3843 PW (kenmerk rechtbank 20/3343) 1.5. Bij brief van 20 februari 2020 heeft appellant het dagelijks bestuur in gebreke gesteld wegens het uitblijven van een beslissing op zijn aanvraag van 24 december 2019 om bijzondere bijstand voor de kosten van griffierecht. Bij besluit van 3 maart 2020 heeft het dagelijks bestuur meegedeeld dat de aanvraag niet in behandeling wordt genomen. Op 30 maart 2020 heeft appellant beroep ingesteld bij de rechtbank wegens het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag. 20/3844 PW (kenmerk rechtbank 20/3162) 1.6. Bij brief van 15 januari 2020 heeft appellant het dagelijks bestuur in gebreke gesteld wegens het uitblijven van een beslissing op zijn bezwaarschrift van 27 november 2019 tegen het besluit van 16 oktober 2019. In dat besluit heeft het dagelijks bestuur onder meer een bedrag van € 143,- verrekend met een openstaande vordering. Bij besluit van 21 januari 2020 heeft het dagelijks bestuur het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Op 26 februari 2020 heeft appellant beroep ingesteld bij de rechtbank wegens niet tijdig beslissen op zijn bezwaar. 20/3845 PW (kenmerk rechtbank 20/3351) 1.7. Bij brief van 20 februari 2020 heeft appellant het dagelijks bestuur in gebreke gesteld wegens het uitblijven van een beslissing op zijn bezwaarschrift van 27 november 2019 tegen het besluit van 11 november 2019. In dat besluit heeft het dagelijks bestuur aan appellant meegedeeld (nog) geen herberekening van de bijstandsuitkering over 2019 uit te voeren en de situatie opnieuw te bezien als het dagelijks bestuur de aanslag 2019 van de Belastingdienst heeft ontvangen. Bij besluit van 3 maart 2020 heeft het dagelijks bestuur het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Op 30 maart 2020 heeft appellant beroep ingesteld bij de rechtbank wegens het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar. 20/3846 PW (kenmerk rechtbank 20/3188) 1.8. Bij brief van 23 januari 2020 heeft appellant het dagelijks bestuur in gebreke gesteld wegens het uitblijven van een beslissing op zijn aanvraag van 19 november 2019 om bijzondere bijstand voor de kosten van griffierecht. Bij besluit van 5 februari 2020 heeft het dagelijks bestuur meegedeeld dat de aanvraag niet in behandeling wordt genomen. Op 26 februari 2020 heeft appellant beroep ingesteld bij de rechtbank wegens het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag. 20/3847 PW (kenmerk rechtbank 20/3159) 1.9. Bij brief van 27 januari 2020 heeft appellant het dagelijks bestuur in gebreke gesteld wegens het uitblijven van een beslissing op zijn aanvraag van 20 november 2019 om bijzondere bijstand voor de kosten van griffierecht. Bij besluit van 5 februari 2020 heeft het dagelijks bestuur meegedeeld dat de aanvraag niet in behandeling wordt genomen. Op 27 februari 2020 heeft appellant beroep ingesteld bij de rechtbank wegens het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag. 20/3848 PW (kenmerk rechtbank 20/3153) 1.10. Bij brief van 27 januari 2020 heeft appellant het dagelijks bestuur in gebreke gesteld wegens het uitblijven van een beslissing op zijn aanvraag van 20 november 2019 om bijzondere bijstand voor de kosten van griffierecht. Bij besluit van 5 februari 2020 heeft het dagelijks bestuur meegedeeld dat de aanvraag niet in behandeling wordt genomen. Op 27 februari 2020 heeft appellant beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen. In alle zaken had het dagelijks bestuur de voor bezwaar vatbare primaire besluiten en de voor beroep vatbare besluiten op bezwaar al genomen voordat appellant de beroepen instelde. Dat houdt in dat op het moment van instellen van de beroepen bij de rechtbank geen sprake meer was van fictieve besluiten. De Intergemeentelijke Sociale Dienst Bollenstreek heeft geen deugdelijke verzendadministratie, zodat niet is gebleken dat de reële besluiten feitelijk per post zijn verzonden op de datum die vermeld staat op de besluiten. Uit de door het dagelijks bestuur beschreven wijze van verzenden van poststukken blijkt niet dat de besluiten feitelijk zijn verzonden op de datum die vermeld staat in de besluiten. Uit deze werkwijze blijkt namelijk dat geen aantekening in het systeem of registratie wordt bijgehouden van de daadwerkelijk uitgaande post door overdracht aan de MareGroep en dat ook geen registratie wordt bijgehouden van de overdracht van de post aan PostNL. Het dagelijks bestuur heeft echter gesteld dat de besluiten ook per e-mail naar appellant zijn gestuurd. Weliswaar heeft appellant niet expliciet toestemming gegeven om hem digitaal te bereiken over zijn aanvragen, bezwaren en daarop genomen besluiten, maar hij heeft wel met zijn gedrag kenbaar gemaakt langs de elektronische weg bereikbaar te zijn, ook voor aanvragen, bezwaren en de besluiten waar het hier om gaat. Uit overgelegde e-mailcorrespondentie over de jaren 2017 tot en met 2020 blijkt namelijk dat tussen appellant en (de gemachtigde van) het dagelijks bestuur steeds en bij voortduring per e-mail is gecorrespondeerd, waarbij het gaat om een vrijwel dagelijkse stroom e-mails van appellant aan het dagelijks bestuur. Deze e-mails betreffen ook aanvragen bijzondere bijstand. Er is daarom een bestendige e-mail praktijk ontstaan. Omdat appellant beroepen heeft ingesteld nadat hij de reële besluiten heeft ontvangen is er geen sprake van de situatie dat de beroepen mede betrekking hebben op de reële besluiten. Ten slotte kan geen sprake zijn van vaststelling door de rechtbank van (de hoogte van) dwangsommen, omdat appellant geen beroep meer kon instellen tegen het niet tijdig nemen van een besluit. 3. In hoger beroep heeft appellant het volgende aangevoerd. De rechtbank is er ten onrechte aan voorbij gegaan dat de inzet van de procedures was het niet nemen van beslissingen op aanvraag of bezwaar. Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijk gesteld en staat tegen het niet tijdig beslissen beroep bij de rechtbank open. In alle gevallen heeft appellant beroep ingesteld, nadat hij het dagelijks bestuur schriftelijk in gebreke had gesteld vanwege het verstrijken van de wettelijke beslistermijn. In alle zaken betrof het een geldige ingebrekestelling en had appellant niet een rechtsgeldige beslissing op zijn aanvraag ontvangen. Daarom had de rechtbank alle beroepen ontvankelijk en kennelijk gegrond moeten verklaren, waarbij de rechtbank de inhoudelijke gronden van beroep had moeten beoordelen, namelijk dat sprake is van aantoonbaar onbehoorlijk bestuur. Verder had de rechtbank de verschuldigdheid en hoogte van de verbeurde dwangsommen moeten vaststellen. Appellant bestrijdt dat sprake was van een bestendige e-mailpraktijk. Hij heeft nooit toestemming gegeven om stukken per e-mail te ontvangen. 4. In het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep heeft het dagelijks bestuur aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat uit de door het dagelijks bestuur beschreven wijze van verzending van poststukken niet blijkt dat de besluiten feitelijk zijn verzonden op de datum die vermeld staat in de besluiten. Weliswaar zou het dagelijks bestuur appellant kunnen volgen als het om enkele gevallen zou gaan. Appellant stelt echter dat hij 65 keer geen besluit heeft ontvangen, terwijl van andere belanghebbenden in het geheel niet werd vernomen dat post niet bezorgd en ontvangen werd. 5. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 5.1. In artikel 6:2, aanhef en onder b van de Awb is geregeld dat voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit wordt gelijkgesteld het niet tijdig nemen van een besluit. Op grond van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb kan het beroepschrift worden ingediend zodra
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.