18 5288 PW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Datum uitspraak: 11 januari 2022 Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a, 8:88 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 augustus 2018, 18/1196 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. N. Aydogdu hoger beroep ingesteld. Bij brief van 18 november 2020 is namens appellante verzocht tot vergoeding van schade ten gevolge van het overschrijden van de redelijke termijn. De Svb heeft op 3 maart 2021 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. In dit besluit is de Svb volledig aan appellante tegemoetgekomen. Bij brief van 6 mei 2021 is namens appellante het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht de Svb te veroordelen in de proceskosten in hoger beroep. Bij brief van 24 augustus 2021 is namens appellante verzocht tot vergoeding van schade ten gevolge van de huisbezoeken. Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten. OVERWEGINGEN Schadevergoeding ten gevolge van de huisbezoeken Vaststaat dat het verzoek tot vergoeding van schade ten gevolge van de huisbezoeken pas is ingediend nadat het hoger beroep was ingetrokken. Om deze reden zal dit schadevergoedingsverzoek niet-ontvankelijk worden verklaard. Gelet op het bepaalde in artikel 8:90, tweede lid, van de Awb zal dit verzoek worden doorgezonden naar de Svb. Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn Voor het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden geldt het volgende. De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (CRvB 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Anders dan de Raad in het verleden heeft geoordeeld eindigt de redelijke termijn op het moment van het intrekken van het hoger beroep
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.