21 2340 WAJONG Datum uitspraak: 31 mei 2023 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 25 mei 2021, 20/4269 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. S. Igdeli, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 april 2023. Appellante en haar gemachtigde zijn niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. I.M. Veringmeier. OVERWEGINGEN 1.1. Appellante, geboren op [geboortedatum] 1992, heeft met een door het Uwv op 14 juni 2019 ontvangen formulier een aanvraag ingediend om uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Daarbij heeft zij onder meer vermeld dat zij last heeft van migraine, vermoeidheid, concentratieproblemen, hyperventilatie, woedeaanvallen en blauwe plekken. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht. Bij besluit van 14 oktober 2019 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen omdat appellante arbeidsvermogen heeft. 1.2. Bij besluit van 8 juli 2020 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellante tegen het besluit van 14 oktober 2019 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het onderzoek van de verzekeringsarts is gebaseerd op dossieronderzoek, waaronder informatie van de behandelend sector, anamnese en eigen onderzoek. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft dossieronderzoek verricht en heeft rekening gehouden met wat appellante op de hoorzitting van 25 mei 2020 naar voren heeft gebracht. Volgens de rechtbank was er geen aanleiding voor twijfel aan de zorgvuldigheid waarmee het medische onderzoek is uitgevoerd of aan de inzichtelijkheid van de naar aanleiding daarvan opgemaakte rapporten. De rechtbank heeft erop gewezen dat sprake is van een zogeheten laattijdige aanvraag, waardoor de beoordeling betrekking heeft op een reeds lang verstreken datum. Dat betekent dat de bewijslast en dus het bewijsrisico bij de laattijdige aanvrager ligt, omdat een medisch beeld met het verstrijken van de tijd steeds moeilijker is vast te stellen. De verzekeringsartsen hebben volgens de rechtbank uitvoerig gemotiveerd waarom appellante in staat was ten minste een uur aaneengesloten te werken en ten minste vier uur per dag belastbaar was. Daarbij heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 25 mei 2020 en het aanvullend rapport van 15 september 2020 rekening gehouden met de beperkingen van appellante, waaronder de vermoeidheidsklachten en slaapproblemen. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gezien voor het oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep daarbij een onvolledig beeld heeft gehad van de medische situatie van appellante ten tijde van haar achttiende levensjaar en de vijf jaar erna (2010-2015, de in geding zijnde periode). De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft volgens de rechtbank inzichtelijk gemotiveerd waarom appellante in staat was een taak in een arbeidsorganisatie uit te voeren en waarom zij beschikt over basale werknemersvaardigheden. 3.1. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat onvoldoende rekening is gehouden met haar lichamelijke en psychische klachten. Appellante heeft herhaald dat bij de geselecteerde taak ‘invoeren van gegevens’ deadlines gelden en met grote mate van zorgvuldigheid moet worden gewerkt, terwijl zij is aangewezen op werk zonder grote verantwoordelijkheid. De taak sluit ook niet aan bij eerder door appellante gedaan werk. Tot slot is volgens appellante onvoldoende rekening gehouden met de omstandigheden dat zij eerdere werkzaamheden onvoldoende aankon en dat daarom haar contracten steeds niet werden verlengd. 3.2. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. 4. De Raad oordeelt als volgt. 4.1.1. Op grond van artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong is jonggehandicapte de ingezetene die: a. op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft; b. na de in onderdeel a bedoelde dag als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en in het jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop dit is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was. 4.1.2. Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit) heeft de betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) als hij (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.