← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2023:1187

202420 WAO, 20/2421 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 13 februari 2019, 17/5671 WAO en 18/2607 WAO Partijen: [verzoeker] te [woonplaats] , Guercif (Marokko) (verzoeker) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 7 juni 2023 PROCESVERLOOP Verzoeker heeft verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 13 februari 2019, 17/5671 WAO en 18/2607 WAO (ECLI:NL:CRVB:2019:458). Het Uwv heeft op dit verzoek om herziening gereageerd. Verzoeker heeft nadere brieven ingediend. De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 26 april

  1. Partijen zijn niet verschenen. OVERWEGINGEN
  2. In de uitspraak van 13 februari 2019, 17/5671 WAO en 18/2607 WAO (ECLI:NL:CRVB:2019:458), heeft de Raad geoordeeld dat verzoeker geen gebruik heeft gemaakt van de door het Uwv geboden gelegenheid aanvullende informatie over te leggen, noodzakelijk om zijn aanvraag om een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) te kunnen beoordelen. Hierdoor was het Uwv bevoegd om verzoekers aanvraag om een WAO-uitkering met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling te laten.
  3. Bij brief van 4 maart 2019 heeft verzoeker herziening van bovengenoemde uitspraak gevraagd. Dat verzoek heeft de Raad bij de uitspraak van 7 februari 2020 (ECLI:NL:CRVB:2020:340) afgewezen. De Raad heeft daartoe overwogen dat wat verzoeker heeft aangevoerd er in wezen op gericht is een (hernieuwde) discussie over de juistheid van de uitspraak van 13 februari 2019 te voeren terwijl het bijzondere rechtsmiddel van herziening er niet toe dient om een dergelijke discussie te voeren. In het verzoek om herziening zijn geen feiten gebleken in de zin van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb, waardoor niet is voldaan aan de voorwaarden voor herziening. 3.
  4. Op 25 februari 2020, aangevuld met brieven van diverse data, heeft verzoeker opnieuw een verzoek om herziening ingediend. Dit verzoek wordt, gelet op de inhoud daarvan, aangemerkt als een herhaald verzoek om herziening van de uitspraak van 13 februari
  5. In het verzoek van 25 februari 2020 zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden gesteld als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb. Verder is dit verzoek ruim een jaar na de uitspraak van 13 februari 2019 waarvan herziening is verzocht, ingediend en dus onredelijk laat is ingediend. 3.
  6. Uit 3.1 volgt dat het herzieningsverzoek niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
  7. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzoek om herziening van 25 februari 2020 niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin, in tegenwoordigheid van N. Zwijnenberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 juni
  8. (getekend) M.E. Fortuin (getekend) N. Zwijnenberg

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.