21 1057 WIA Datum uitspraak: 19 januari 2023 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 4 februari 2021, 20/1915 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. H. Sala, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2022. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Sala en [naam tolk] als tolk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J. Sjoer. OVERWEGINGEN 1.1. Appellant is op 18 juli 2017 door psychische klachten uitgevallen voor zijn werkzaamheden als reachtruckchauffeur die hij voor 40,09 uur per week verrichtte. 1.2. Naar aanleiding van zijn aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is appellant onderzocht op het spreekuur van een arts van het Uwv. Deze arts heeft in een rapport van 27 juni 2019 vermeld dat appellant aspecifieke pijnklachten en psychische klachten heeft, waardoor er redenen zijn om beperkingen aan te nemen voor fysieke belasting en voor mentale weerbaarheid. Daarbij is door de combinatie van klachten aanleiding om een lichte urenbeperking van gemiddeld ongeveer zes uur per dag en 30 uur per week aan te nemen. De beperkingen zijn opgenomen in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). 1.3. Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens in een rapport van 17 juli 2019 vermeld dat appellant niet geschikt is voor zijn eigen werk en aan de hand van wat appellant met zijn beperkingen en mogelijkheden kan verdienen in geselecteerde voorbeeldfuncties berekend dat hij 66,91% arbeidsongeschikt is. 1.4. Het Uwv heeft bij besluit van 18 juli 2019 appellant met ingang van 16 juli 2019 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant is vastgesteld op 66,91%. 1.5. Naar aanleiding van het bezwaar van appellant tegen dit besluit is hij aansluitend aan de hoorzitting onderzocht door een verzekeringsarts bezwaar en beroep. Deze arts heeft in een rapport van 6 maart 2020/31 maart 2020/4 april 2020 (4 april 2020) te kennen gegeven dat tijdens de bezwaarprocedure informatie is ontvangen die inzicht geeft in het klachtenbeloop na de datum in geding. Er is een toename van depressieve klachten naar een matig ernstige depressieve episode, zonder dat er een situatie is van geen benutbare mogelijkheden. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is met de door de primaire arts in de FML aangenomen (substantiële) beperkingen duidelijk rekening gehouden met de psychische klachten van appellant. Met de aangenomen beperkingen voor fysieke omgevingseisen en voor dynamische handelingen en statische houdingen is duidelijk rekening gehouden met de fysieke klachten van appellant, ondanks dat uit de beschikbare medische gegevens geen aanwijzingen waren voor onderliggende (ernstige) neurologische aandoeningen. Daarnaast blijkt uit de informatie van de huisarts niet van ernstige somatische aandoeningen die de ervaren pijnklachten kunnen verklaren. Met de slaapapneu klachten is rekening gehouden door de beperking voor werk met een verhoogd persoonlijk risico waaronder ook beroepsmatig autorijden. Hoewel er geen aanwijzingen zijn voor een grote slaapbehoefte overdag kan de verzekeringsarts bezwaar en beroep de door de primaire arts aangenomen arbeidsduurbeperking volgen. 1.6. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in een rapport van 6 april 2020 de door de primaire arbeidsdeskundige geselecteerde functies gehandhaafd. 1.7. Het Uwv heeft bij besluit van 8 april 2020 (bestreden besluit) het bezwaar van appellant, onder verwijzing naar de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, ongegrond verklaard. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen de motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 4 april 2020 te kunnen volgen. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat verzekeringsarts bezwaar en beroep medische informatie van de psycholoog van 8 oktober 2019, van redelijk kort na de datum in geding, heeft betrokken in de heroverweging. Appellant heeft verder geen medische onderbouwing geven voor toegenomen en nieuwe klachten. 3.1. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. De rechtbank is ten onrechte voorbij gegaan aan de medische informatie die hij heeft ingebracht en ook de verzekeringsarts(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.